Toelichting bij de Code voor de journalistiek

Deze toelichting bij de Code voor de Journalistiek, zoals in 2008 opgesteld door het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, wil duidelijk maken waarin en waarom de nieuwe code afwijkt van de code van het Genootschap uit 1995. Uiteraard zijn veruit de meeste aanpassingen terug te voeren op de opkomst van het internet als massaal gebruikt medium en op de sterk toegenomen participatie van het publiek, die dankzij internet mogelijk is geworden.

V. Over databases, statistieken, peilingen en metabronnen

Traditioneel verstaat de journalist onder bronnen: zegslieden of publicaties van organisaties. Daarnaast is, versterkt met de opkomst van internet, een heel scala aan computergestuurde bronnen ontstaan. Klassieke enquêtes hebben zich ontwikkeld tot internetpeilingen waarvan de representativiteit misschien nog wel twijfelachtiger is dan dat voor de komst van internet het geval was. Van nog recentere datum is de databasegestuurde nieuwsselectie: een computer bepaalt wat nieuws is, en daarmee impliciet wat de waarde van dat nieuws is (hoe hoger een nieuwsfeit bij Google News, hoe belangrijker dat nieuws kennelijk is; hoe langer een lemma bij Wikipedia, hoe betrouwbaarder dat lemma kennelijk is).

De opkomst van al deze nieuwe bronnen verandert niets aan de ethische regel dat een journalist dient te beoordelen hoe betrouwbaar een bron is. Voor de dagelijkse praktijk heeft het wel consequenties: journalisten moeten zich ervan bewust zijn dat de wijze waarop dergelijke computergestuurde selectie plaatsvindt, vaak niet bij het publiek bekend is, en soms niet kan zijn omdat de technische methode geheim is (denk aan het PageRank-algoritme dat bepaalt hoe de zoekmachine van Google met meta-informatie, informatie over informatie, omgaat). Dit stelt hogere eisen aan de manier waarop journalisten hun bronnen beschrijven.

VI. Controleerbaarheid

Van oudsher is het controleren van feiten – "Is dit waar?" – een taak van de professionele journalist. Gezond wantrouwen en kritisch vermogen behoren tot zijn belangrijkste skills. Nu niet langer alleen professionele journalisten toegang hebben tot bronnen, moeten journalisten het controleren van feiten delen met niet-journalisten. Wie zich dat aantrekt, maakt meer werk van bronvermelding. Ook dat is een vorm van transparantie en accountability.

VII. Digitalisering

Naar mate journalisten meer en meer gebruik maken van digitale technieken, wordt het voor consumenten van nieuws lastiger te doorgronden waaruit de bewerking bestond. Tekst kan worden gekopieerd (waardoor soms sprake kan zijn van plagiaat), foto's en videomateriaal worden bewerkt (waarbij de waarheid soms geweld wordt aangedaan). Lezers, luisteraars en kijkers moeten kunnen weten waaruit de bewerking bestond, te meer omdat een kleine maar groeiende groep nieuwsconsumenten juist heel wel in staat is de digitale bewerking te doorgronden, ofwel omdat ze over dezelfde techniek beschikken, ofwel omdat ze toegang hebben tot het onbewerkte bronmateriaal.

VIII. Docudrama en real-life soap

De gedramatiseerde documentaire en de soap met "echte spelers" (Big Brother is het bekendste voorbeeld) zijn genres die soms een journalistiek karakter hebben. Dergelijke moderne journalistieke producties kunnen heel waardevol zijn, omdat ze het nieuws en vooral achtergronden bij dat nieuws heel doeltreffend kunnen overbrengen. Feit en fictie lopen weliswaar door elkaar, maar in de regel begrijpt de consument wel waarmee hij te maken heeft. Omdat de grenzen in de niet-journalistieke media door de opkomst van digitale technieken en internet als platform vervagen, moeten journalisten meer dan voorheen het gebruik van fictieve elementen expliciet maken.

IX. Hyperlinks

Zonder hyperlinks zou internet niet bestaan, maar voor journalisten brengen links twee soorten problemen met zich mee: de wijze waarop wordt gelinkt kan discutabel zijn, en de content waarnaar wordt gelinkt kan dat zijn.

De wijze waarop links worden aangebracht, kan schadelijk zijn voor de journalistieke integriteit. Links kunnen zodanig de oorspronkelijke bron maskeren, dat de indruk wordt gewekt dat de "onderliggende informatie" niet van een ander medium afkomstig is (framed links of inline links). Daardoor ontstaat iets wat sterk op plagiaat lijkt, of op parasitair gedrag.

Ook de content waarnaar wordt gelinkt, kan problematisch zijn. Los van eventuele civielrechtelijke of strafrechtelijke consequenties, zal een journalist een eigen morele afweging moeten maken bij het plaatsen van een link naar bijvoorbeeld kinderporno, illegaal gekopieerde muziek of een terroristisch handboek. Hij kan dan citeren zonder te verwijzen – zonder het adres van een website te geven – maar moet zich ervan bewust zijn dat wat hij verhult met een simpele zoekopdracht gevonden kan worden. Tenslotte kan hij ervoor kiezen bij een link een expliciete waarschuwing te plaatsen, zoals in de Verenigde Staten wel gebruikelijk is.

vorige   [ 1 | 2 | 3 ]   volgende

© Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren
Design & technische realisatie: Nico van Veenendaal