Jaarrede 2001
Jaarrede van Pieter Broertjes, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, uitgesproken op 6 april 2001 tijdens de 42ste jaarvergadering in hotel Jan Tabak in Hilversum.Geachte collega 's en oud-collega 's,
Het is voor het eerst dat de jaarvergadering van het Genootschap in Hilversum plaatsvindt, het hart van de audiovisuele media. Dat zegt iets over de vitaliteit en de bredere agenda van ons gezelschap. Het verheugt me dat de afgelopen twee jaar, sinds de deuren van het Genootschap ook openstaan voor leden uit de niet-dagblad- en opiniewereld, zich zo veel nieuwe leden hebben aangemeld. De integratie van de diverse beroepsgroepen is veel 'sneller en harmonieuzer gegaan dan ik aanvankelijk had gedacht.
Anders dan in voorgaande jaren zal ik dit keer geen tour d'horizon maken langs alle klippen en valkuilen die ons journalistieke leven zo onzeker maken. De agenda is daarvoor te vol en er wacht nog een eloquente spreker die een aantal kritische observaties voor zijn rekening zal nemen. Zo heeft hij mij tenminste beloofd tijdens ons voorgesprek.
In mijn verhaal wil ik een beperkt aantal kanttekeningen plaatsen bij actuele ontwikkelingen in de media; oud, nieuw, print of beeld. Deze opmerkingen haken aan bij inzichten die James Carey, hoogleraar journalistiek aan de Columbia University in New York, vorig jaar zomer maakte toen hij gast was op de zeer geslaagde conferentie over journalistieke cultuur in deze en de vorige eeuw.
Carey stelt vast dat de media al geruime tijd in een overgangsfase zitten waarvan het einde nog niet in zicht is. Hij spreekt zelfs van een crisis in de journalistiek. Het overstelpende en vaak ongerichte aanbod van nieuws, de opkomst van Internet en nieuwe media veroorzaken grote onzekerheid in de bedrijfstak, maar ook bij het publiek, de lezer of kijker. Welk nieuws is nog onafhankelijk en waar gaan serieuze informatie en vermaak geruisloos in elkaar over?
In Nederland is er in toenemende mate kritiek op het functioneren van de media. Gaat het over de kwestie Peper dan beticht het OM ons van 'een openbare lynchpartij' terwijl het onderzoek nog in volle gang was. De pers heeft het eigenlijk altijd gedaan. De ene keer zijn we van waakhond tot schoothondje geworden (volgens burgemeester Johan Stekelenburg van Tilburg), de andere keer jagen de media de arme politici op en zijn we veel te dominant geworden (aldus ex-politicus Ed. van Thijn). Het is niet goed of het deugt niet; de ondertoon is steevast negatief.
Ook de wijze waarop wij de vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam hebben verslagen, leidde tot zeer kritische commentaren van gemeentelijke politici en ambtenaren. De media zouden te veel tijd vergen van de rampenstaf en dat zou ten koste gaan van de aandacht voor de operationele kwesties. Een volgende keer dreigen de media zelfs aan banden te worden gelegd. In dat licht bezien is het een gemiste kans van de commissie Oosting dat de rol van de media in Enschede niet is onderzocht.
Nu pers, radio en televisie zo sterk in het defensief zijn gedrongen, wreekt zich eens te meer dat we als beroepsgroep bijzonder slecht met kritiek kunnen omgaan. Meestal reageren we gewond en onbegrepen. Soms terecht, heel vaak niet. Uitdelen doen journalisten graag, incasseren is een heel ander verhaal. Fouten toegeven wordt onder vakgenoten vaak helemaal gezien als een doodzonde. Niet de leugen regeert (sorry, majesteit), maar de angst. Ik spreek uit ervaring sinds de Ombudsman een kritische rol als luis in de pels van mijn eigen krant vervult. Dat doet soms ook pijn. Toch zou ik alle collega 's willen aanraden een ombudsman aan te stellen. Het instituut werkt heilzaam voor het ontwikkelen van kritische zin van redacteuren en als vraagbaak voor lezers.
Journalistieke ethiek wordt steeds belangrijker, naarmate het mediaterrein diffuser wordt en de beroepsgroep gevarieerder. Om de positie en status van de journalistiek als beroep te waarborgen is het van belang dat er een onafhankelijke instantie is die zich met gezag en kennis van zaken bezighoudt met ethische kwesties in de journalistiek.
In dat opzicht betreur ik de gang van zaken rond de Raad voor de Journalistiek. Misschien had ik zelf ook wijzer moeten zijn en vorig najaar mijn mond moeten houden, want er is de afgelopen maanden erg veel energie verloren gegaan met allerlei schijngevechten. Het onderlinge geruzie draagt in elk geval niet bij tot het versterken van het toch al gedeukte imago van onze beroepsgroep. Al koester ik me met de gedachte dat de felle polemiek heeft geleid tot een duidelijker draagvlak voor de raad in eigen kring en tot het besef dat een raad met gezag altijd beter is dan welk ander mediacontrolerend instituut ook.
Nieuwe tijden, nieuwe kansen. Leden van de raad zouden in voorkomende gevallen (over opdringerigheid van de pers bij rampenverslaggeving) een belangrijke rol kunnen vervullen door het doen en laten van de media uit te leggen en toe te lichten. Dat versterkt de herkenbaarheid van de raad als bewaker van de ethiek tegenover de beroepsgroep. Hoe groter het journalistieke gezag, hoe overtuigender de rol die de raad in het publieke debat kan vervullen. Nu blijft de raad als klachteninstantie veelal onzichtbaar. En onbekend maakt onbemind.
De suggestie van het stichtingsbestuur van de raad om opvallende uitspraken van commentaar te laten voorzien in ons vakblad De Journalist ondersteunt het bestuur van het Genootschap ten zeerste. Dat bevordert een intern kritisch debat over rol en functie van de media en dat versterkt onze positie bij argwanende boeren, burgers en buitenlui.
De media liggen ook onder vuur, zitten in het defensief zo u wilt, door de dreiging van een economische recessie. De eerste donkere wolken hebben zich al weer samengepakt. Vooral de dagbladwereld en de opinieweekbladen - uitzonderingen daargelaten - krijgen het moeilijker. De eerste winstwaarschuwingen zijn al afgegeven door De Telegraaf en Wegener. En ook PCM ziet de marges teruglopen. De vooruitzichten zijn onverminderd slecht. De papierprijs stijgt en de advertentievolumes nemen af. De kosten voor distributie stijgen zelfs exponentieel en de hoge investeringen in de websites betalen zich nog lang niet terug.
De neiging bij directies is groot om vooral op redactiekosten te bezuinigen. Ik zou daartegen willen waarschuwen. Kranten of weekbladen die onder druk staan moeten geen concessies doen aan de kwaliteit van het product. Dat leidt alleen maar tot nog meer verlies van lezers.
Redacties moeten door hun uitgevers in de gelegenheid worden gesteld te concurreren op het scherpst van de snede, op journalistieke kwaliteit. Bovendien is het nogal armoedig alleen op (redactionele) kosten te sturen. Uitgevers dienen ook ondernemers te zijn, moeten risico's durven nemen en productvernieuwing en merkverbreding entameren. Dat leidt tot betere kranten en weekbladen.
Daarentegen lijken de sterk stijgende distributiekosten voor krantendirecties een gegeven. Sinds jaar en dag wordt in de dagbladsector gesproken over meer samenwerking bij de bezorging. Totnogtoe zonder enig zichtbaar resultaat. Ter bestrijding van de overheadkosten is het absoluut noodzakelijk dat grote krantenbedrijven op korte termijn een gezamenlijk bezorgapparaat opzetten opdat de krant de komende decennia op tijd en tegen redelijke kosten bezorgd kan worden. Kranten moeten concurreren op inhoud, niet op logistieke kwesties. Ik roep de onderhandelende partijen op haast te maken, voor de wal het schip keert en er letterlijk geen bezorgers meer zijn om de krant in de bus te doen.
Maar er moet meer gebeuren om ons journalistieke huis op orde te krijgen. En nu loop ik het gevaar in mijn eigen voet te schieten als voormalig CAO-onderhandelaar van de NVJ. Maar wat moet dat moet. Onze CAO's, en dan bedoel ik met name de dagbladcao, is nodig toe aan een revisie, een herijking zo u wilt. Het journalistieke management heeft behoefte aan meer flexibiliteit bij de toepassing van periodieken. Prestatiebeloning lijkt een moderner instrument dan de automatische verhogingen. Maar ook de vergrijzing is een bedreiging voor de mobiliteit en daarmee de kwaliteit van redacties. Redacties moeten drastisch verjongen en verkleuren. Het zijn nog altijd in hoge mate blanke bolwerken van veertigers.
De CAO-onderhandelaars moeten het als een uitdaging zien nieuwe afspraken te maken die hoofdredacteuren stimuleren tot modem personeelbeleid. Mogelijk dat er voorafgaand daaraan een studieconferentie kan worden belegd over het modemiseren van de CAO-dagbladen. Het Genootschap is graag bereid daaraan zijn medewerking toe te zeggen.
Ook de collega's van de televisie hebben last van die vergrijzing, al slaat de ouderdom daar niet zozeer toe bij de redacties als wel bij hun kijkerspubliek. Rubrieken als het Joumaal, NOVA en Netwerk worden overwegend bekeken door vijftigplussers; ook de nieuwsuitzendingen van de commerciële omroepen hebben, zoals dat bij televisie wordt genoemd, een 'oud profiel'. Nieuws en jongeren lijken elkaar dus ook op televisie en radio te bijten. Radio 1 en radio 5, deze maand omgedoopt tot radio 747 AM, worden beluisterd door mensen met een gemiddelde leeftijd van 55 jaar. Dit blijkt uit de meest recente gegevens van de dienst Kijk- en luisteronderzoek van de NOS.
De publieke omroep zag zijn marktaandeel het afgelopen seizoen voor het eerst stijgen. Sinds de komst van de commerciële televisie, in 1989, liep dat aandeel gestaag terug; met de invoering van de veelbesproken netprofilering in september vorig jaar lijkt het tij voor de publieke omroep te keren. Nederland 2 heeft de afgelopen maanden voor het eerst sinds negen jaar meer kijkers dan RTL4 en slaagt er bovendien in de voor de televisie aantrekkelijke doelgroep van "boodschappers" , dat wil zeggen kijkers in de leeftijd van 20 tot 49 jaar , te bereiken. Voor de echte jonkies is er sinds september het nieuwe publieke kindernet Zappelin, dat zeer succesvol is.
Is het verhaal tot nu toe te somber? Toon ik te weinig oog voor nieuwe initiatieven? Excuses daarvoor. Ik zou het in hoge mate betreuren als ik u in die gemoedstoestand zou achterlaten. Er zijn immers ook positieve, zelfs hoopvolle signalen. Het is u misschien nog niet opgevallen, maar het gaat goed met de dagbladen; de gratis dagbladen bedoel ik. Dankzij Metro en Spits (News.nl is ons al weer ontvallen) groeit er weer een nieuwe generatie op die kranten leest. Driekwart van de jongeren van 16 tot 24 jaar zegt die kranten regelmatig te lezen. De opkomst van internet ten spijt.
Een andere positieve ontwikkeling is het debat dat is losgebarsten over het beroepsprofiel Opleidingen Journalistiek. Naar aanleiding van een uitermate kritisch rapport van de visitatiecommissie voor de journalistieke opleidingen (het rapport Max de Bok) vorig voorjaar hebben de vier Hbo-opleidingen de koppen bij elkaar gestoken en een nieuw profiel geschreven. Aan welke beroepspraktijkeisen moeten afgestudeerden voldoen? Inmiddels is dat concept van tafel en praten de Hbo-opleidingen met de commissie Opleidingen van het Genootschap over een nieuw beroepsprofiel. Het Genootschap ziet voor zichzelf een coördinerende taak weggelegd om nog dit jaar alle opleidingen journalistiek, universitair en HBO, om de tafel te krijgen voor overleg over ons vak en de onderscheiden inbreng van de zeven opleidingen. Deze marsroute wordt in ieder geval van harte ondersteund door de vier Hbo-opleidingen. Dit initiatief moet leiden tot verdere professionalisering van de beroepsgroepen en het (her)definiëren van beroepskwalificaties.
Er is geen reden voor overdreven somberheid. Kranten hebben al decennia allerlei aanvallen op hun voortbestaan afgeslagen. Eerst kwam de radio, zonder succes. Toen kwam de televisie, eveneens zonder resultaat. En recent zijn daar Internet en nieuwe media: de eerste aanslagen zijn verijdeld. Driekwart van de traditionele krantenlezers zegt dat Internet in het geheel niet de functie van de krant heeft overgenomen. We moeten ook uitkijken elkaar niet de put in te praten. Lezers zien de krant altijd nog als een huisvriend, een gids, een baken van informatie en integere journalistiek. Het is zaak dat uitgevers ook in hun kranten blijven geloven en ze niet alleen zien als inwisselbare producten. Het vertrouwen dat lezers in kranten houden, moet een voorbeeld voor krantendirecties zijn.
Ter versteviging van de diverse media zie ik veel brood in intensievere samenwerking tussen kranten, radio en televisie; zowel voor de oude (off line) of de nieuwe (on line) media. Mediabedrijven zullen zichzelf moeten ombouwen tot multimediale, interactieve concerns en strategische allianties moeten aangaan ter versterking van hun slagkracht, hun binding met lezers, luisteraars en kijkers. Geloof hebben in je eigen product heeft niets te maken met arrogantie. Het is, integendeel, de enige voorwaarde voor een levendige relatie met de gebruiker, de consument die zich bij jouw product thuis voelt. Het uitzetten van zo'n koers kan crisisverschijnselen voorkomen.
Staat u mij toe, als rechtgeaarde dagbladman, mijn jaarrede af te sluiten met een lofzang op het dagblad. Om u allen moed in te spreken. Ook de hoofdredacteuren van radio, televisie en weekbladen, want zonder krant, zonder uw dagelijkse nieuwsbron, zou u uw werkdag toch met minder plezier en overtuiging beginnen. Wie heeft een mooiere lofrede geschreven op de krant dan de journalist van de vorige eeuw Henk Hofland?
In NRC Handelsblad van 15 december jl. vergelijkt hij de krant met de website. Zijn conclusie zal u niet verbazen. Zeker niet nu ook Francisco van Jole, de website-adept van het eerste uur, begin dit jaar van zijn geloof viel en een ode op de papieren krant schreef omdat kranten 'het jachtige nieuws tot stilstand brengen'.
Maar voor Hofland is de krant altijd favoriet gebleven. (Citaat) 'Iedere dagbladpagina geeft een totaal van verbijzonderingen, en de krant in zijn geheel een veelvoud daarvan dat je in je zak kunt stoppen. Iedere website, hoe vernuftig ook in elkaar gezet, ontbreekt het aan dit totaal in één oogopslag.' Maar dan volgt zijn lofrede over de superioriteit van het dagblad: een unieke combinatie van fysieke en immateriële factoren. (Citaat) 'Achter het papier bevindt zich onzichtbaar een familie van min of meer gelijkgezinden, de redactie, die driehonderd maal per jaar haar best doet om u en een paar honderdduizend anderen met het laatste nieuws te bedienen, en bovendien dit naar beste weten uitpluist, meningen geeft, die zo mooi mogelijk opschrijft en ten slotte anderen toelaat die het met die meningen gloeiend oneens zijn. Het is een nieuwsbron, een register, een pamflet, een roman in afleveringen, de weergaloze comédie humaine. ( ...) Meer in woorden is niet mogelijk. '
Amsterdam, 6 april 2001
Pieter Broertjes

