Jaarrede 2002
Jaarrede van Pieter Broertjes, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, uitgesproken op vrijdag 19 april 2002 tijdens de 43ste jaarvergadering in Hotel Park Plaza in Utrecht.Waarde collega's,
Uit een onderzoek van de Nederlandse Dagbladpers van vorige maand blijkt dat 86 procent van de ondervraagden de krant als nieuwsbron superieur vindt. De krant gaat dieper in op het nieuws en is betrouwbaarder dan de televisie, zeggen zij. Nederlanders blijken veel waarde te hechten aan hun krant en zij hebben daar ook extra geld voor over. Zij hebben voor een groot deel een hechte relatie met hun krant. Velen zijn getrouwd met hun krant. En dat laten zij ook blijken in hun reacties!
Dit opmerkelijke nieuwtje werd door de kranten niet of in een klein bericht gebracht. Goed nieuws is immers geen nieuws. Of was er sprake van enig ongeloof vanwege de stortvloed van negatieve berichten over de dagbladsector in het voorbije jaar? Klopte dit allemaal wel?
Het was het afgelopen jaar stormachtig weer in onze sectoren. De Telegraaf en Endemol schrapten honderden banen. In de regionale dagbladpers volgde de ene fusie na de andere. In deze maand zag het Dagblad van het Noorden, de erfopvolger van Nieuwsblad van het Noorden, het Groninger Dagblad en de Drentse Courant, het licht. In tal van provincies zijn Wegener en De Telegraaf gerenommeerde regionale kranten die ooit gezworen vijanden waren, aan het samenvoegen en aan het afslanken. Ook PCM Uitgevers broedt plannen in die richting uit. In de hoop en de verwachting dat ze het daardoor langer volhouden.
De NVJ maakt zich terecht grote zorgen over deze ontwikkeling. De journalistenvakbond wordt daarin niet alleen gesteund door de dagbladuitgevers en ons genootschap, maar ook door het commissariaat voor de media. Zij heeft in een brief aan de Tweede Kamer aandacht gevraagd voor de 'neerwaartse spiraal in de dagbladwereld', die zal leiden tot afname van kwaliteit, vermindering van pluriformiteit en verzwakking van de financiële positie van de krantenbedrijven. De NVJ. vreest dat door de vergaande bezuinigingen en inkrimpingen redacties verworden tot 'vergrijzende, verkleinde, overbelaste, blanke bolwerken'. Volgens berekeningen van de NVJ zijn in de afgelopen twee jaar 600 van de circa 4000 ( 15%) journalisten aan de kant gezet.
Het lijkt logisch nu te gaan roepen om allerlei stimuleringsmaatregelen, bijvoorbeeld een lager BTW-tarief en gratis abonnementen voor nieuwe Nederlanders. Er moet eerst, volgens de NVJ, snel een einde komen aan de fusiekoorts en er moet een dam worden opgeworpen tegen het dwangregime van de markt. De ravage is immers enorm. Of zoals Telegraaf-directeur Arp onlangs zei: `De economie van de krant is wreed`. De afgelopen twaalf jaar zijn maar liefst vijftien krantentitels verdwenen. Alleen de gratis kranten Metro en Spits konden als succesvolle nieuwkomers worden verwelkomd. Het bereik van de kranten loopt gestaag terug. In 1983 had 87 procent van de huishoudens een krant in huis, in 2001 was dat percentage teruggelopen tot 64 procent!
Hoe groot de 'sense of urgency' ook is, het is zeer de vraag of een strategie die gericht is op overheidssteun, op langere termijn voldoende profijtelijk is. Ik vrees van niet. Structurele subsidiestromen maskeren tenslotte een verouderd en ongezond uitgeversbeleid. Het gaat niet om het aantal kranten in Nederland, meer of minder. Het gaat erom dat de overblijvende kranten economisch én journalistiek gezond en sterk zijn - en dat ook kunnen blijven.
De nu ontstane situatie vereist een offensieve en innovatieve strategie van dagbladuitgevers die niet wars zijn van experimenten. Te denken valt daarbij bijvoorbeeld aan het periodiek huis-aan-huis verspreiden van regionale kranten (om de lokale adverteerders weer te verleiden) of het verspreiden van een ´Krant op maat´.
Het beeld van de dagbladsector is nog veel complexer. Daardoor is een simpele remedie ook niet te geven. Onze bedrijfstak verkeert eigenlijk in een permanente staat van oorlog. Maar wie is de vijand? De ontrouwe lezers, de weglopende adverteerders, de berustende journalisten of onze weinig creatieve bazen?
Vaststaat dat de gedrukte media bij velen steeds meer een sluitpost zijn. Dit blijkt uit een recent Tijdbestedingsonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (oktober 2001). De gemiddelde leestijd van kranten, boeken en tijdschriften is de laatste vijf jaar gedaald van 4,6 tot 4 uur per week. De opmars van computer- en internetgebruik gaat - sinds 1995 - sterk ten koste van het luisteren naar de radio en het lezen van boeken, kranten en tijdschriften.
De cijfers zijn het meest dramatisch in de categorie jongeren. De jongeren die geboren zijn na 1974, besteden nog maar een fractie van hun beschikbare mediatijd (al jaren stabiel op 18 à 19 uur per week) aan de traditionele media. Zij besteden de meeste tijd aan de nieuwe media, zoals internet, en aan de commerciële televisie. Wie denkt dat zij na hun dertigste vanzelf de weg naar het dagblad en de omroep vinden, komt bedrogen uit. Die tijd is definitief voorbij.
De krant is niet meer de informatiedrager bij uitstek voor wie op de hoogte wil blijven van wat er in de wereld omgaat. De leesarme generatie is in aantocht. Kinderen tussen 12 en 18 jaar besteden nog slechts 3 procent van hun vrije tijd aan lezen. Vijftig jaar geleden was dat nog 22 procent. Onze kinderen groeien op zonder de dagelijkse routine van een krant in de bus. De krant is niet meer een noodzakelijk onderdeel van het huishouden, of je nu in gezinsverband leeft of alleen. De televisie is dat wel. Zonder televisie wil geen mens leven, zonder krant wel.
De oude mediumtypen zijn sterk aan erosie onderhevig. Gratis verspreide kranten doen het goed, vooral onder jongeren. Spits is al de grootste krant van Nederland in de groep van 13 tot 35 jaar. De appreciatie van gratis tabloids ligt onder lezers bovendien behoorlijk hoog.
Journalisten zijn niet zonder schuld aan het functieverlies en de verdere marginalisering van kranten. Het wordt tijd dat onze beroepsgroep de hand in eigen boezem steekt. De jonge Amsterdamse onderzoeker Mark Deuze, die in maart promoveerde op een studie naar journalisten in Nederland in vergelijking met enkele buitenlanden, kan ons daarbij helpen.
Zijn conclusies zijn hard, maar rechtvaardig. Journalisten zijn vervreemd van hun publiek, zij hebben weinig tot geen contact met hun lezers, zij zitten liever achter hun computer dan dat ze de straat op gaan en zij staan afkerig tegenover internet. De journalistiek is een gewone bureaubaan geworden, liefst parttime. Aldus Deuze.
De observaties van Deuze hebben in de beroepsgroep al tot veel discussie geleid en - gelukkig - tot kritisch zelfonderzoek. Volgens 'mediawatcher' Henri Beunders zijn de media, met name de kwaliteitskranten, onder Paars te veel onderdeel geworden van het establishment. Zij hebben hun kritische taak ten opzichte van de machthebbers verwaarloosd. Zij hebben verzuimd misstanden (wachtlijsten, criminaliteit, illegalen, onderwijsvernieuwingen) met indringende reportages en heldere analyses aan de kaak te stellen.
Beunders, maar ook anderen (zoals Jos van Kemenade), gaan zelfs zo ver dat in hun ogen de 'verburgerlijkte en verrechtste' (Beunders) media de opkomst van Pim Fortuyn voor een deel in de hand hebben gewerkt. Beunders' pleidooi om de journalistiek terug te brengen naar de burger ('Kom uit die bureaustoel en begeef je onder het publiek') vindt zijn oorsprong in Amerika. Daar ontstond al tien jaar geleden een debat over 'civic journalism'. De journalist moet niet alleen een onafhankelijke verslaggever zijn, maar ook een actieve medeburger, die zich bewust is van zijn of haar sociale verantwoordelijkheid.
Het motto van de aanhangers van 'civic journalism' is: begin waar de burger begint, maar hou niet op waar de burger eindigt. Zo kan een synthese ontstaan tussen de kritische en de publieke journalistiek. Dat vereist een journalistieke culturele revolutie, waarbij journalisten de mondige burger niet vanuit de hoogte en met scepsis en cynisme informatie verstrekt, maar als medeburger en als bondgenoot van medelanders en wereldburgers.
Hans van Mierlo stelde vorig jaar in een toespraak voor de Volkskrant-redactie: 'Gezag verwerft een krant door een overtuigende balans te vinden tussen de journalistieke rol en de maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dáár ligt het gezicht van de krant.' In zijn ogen is er grote behoefte aan houvast in de onmetelijke zee van onzekerheden. Hij pleitte daarom voor een ouderwetse krant: een krant die ontstijgt aan de waan van de dag, die dagelijks een bezonken, maar vlijmscherp oordeel velt.
Dergelijke accentverschuivingen - minder institutioneel nieuws, meer interactief, meer kwaliteit en meer gezaghebbend - sluiten goed aan bij de strategische heroriëntatie die verschillende media nu doormaken. Kranten zijn weer op zoek naar een herkenbaar 'smoel' en een eigen koers. Die profilering komt ook tegemoet aan critici zoals Marcel van Dam. Hij verwijt de media de kloof tussen politici en burgers mede op hun geweten te hebben, doordat wij het politieke proces hebben teruggebracht tot oneliners, persoonlijke drama's en incidenten.
In de Nederlandse cultuur zijn ontwikkelingen gaande die we niet of slechts amper kunnen beïnvloeden. Er wordt domweg minder gelezen. We kunnen niet alles, maar we moeten ons ook niet machteloos verklaren. Beter dan te vragen om overheidssubsidie, is het om een nieuwe kritische houding te ontwikkelen tegenover de eigen prestaties. Dat geldt voor uitgevers én journalisten.
Volgens de Amerikaanse mediahoogleraar Jay Rosen kan deze nieuwe journalistieke houding zich ten volle ontplooien op internet. Op dit medium biedt zich een nieuwe generatie lezers aan, die haar eigen thema's kiest. Daardoor worden journalisten gedwongen meer rekening te houden met wensen en verlangens van lezers of gebruikers. Rosen ziet zelfs mogelijkheden voor een vorm van 'global journalism': een wereldwijd medium, dat meer kijkt naar de kant van de vraag (lezers) dan naar die van het aanbod (redacteuren).
Ons genootschap heeft zich het afgelopen jaar in dit debat gelukkig niet onbetuigd gelaten. We zijn begonnen bij de bron: de journalistieke beroepsopleiding. Uit het onderzoek van Deuze blijkt dat de journalist van morgen liberaler is, pragmatischer en ook een beetje minder kritisch. Juist dan is het van groot belang met welk gereedschap de doorsneejournalist de komende jaren wordt uitgerust.
Het oordeel van de hoofdredacteuren over de opleidingen, zowel op het niveau van het hbo als van het wetenschappelijk onderwijs, is niet onverdeeld gunstig. Het wensenlijstje van de hoogste journalistieke managers jegens de nieuwe collega's is duidelijk: ze moeten beter leren schrijven, meer op nieuws jagen en het eigen werk beter - in tijd en tempo - organiseren.
Ronduit bemoedigend is dat de betrokken partijen vorig jaar in ijltempo en in goed overleg een nieuw beroeps- en opleidingsprofiel Journalistiek hebben vastgesteld. Dit document herdefinieert de relatie tussen opleiders en beroepsveld. Het zal ongetwijfeld een belangrijke rol vervullen bij de introductie van het bachelor-masterstelsel in het wetenschappelijk en hoger onderwijs.
Er is veel gebeurd op dit terrein. Een woord van dank is op zijn plaats voor onze GPD-collega James McGonical. Op initiatief van ons genootschap (en mede dank zij zijn voortvarend optreden) en in nauwe samenwerking met de NDP en de NVJ vond in december vorig jaar een eerste rondetafelconferentie plaats in kasteel Nyenrode. Het doel van deze bijeenkomst was te komen tot nieuwe afspraken tussen opleidingen en mediaorganisaties (dagbladen, radio, televisie en tijdschriften) over de omvang en de verdeling van stageplaatsen, en de aard van de journalistieke opleidingen.
In een openhartig debat, waaraan iedereen uit het beroepsveld deelnam, werd het initiatief genomen tot de oprichting van een Stichting Media Stageplaatsen. Die stichting moet nieuwe spelregels ontwikkelen. De aanwezige hoofdredacteuren beloofden de opvang van journalisten-in-opleiding te verbeteren. Goede journalisten worden niet alleen gemaakt tijdens de opleiding, maar vooral ook tijdens hun stage door de redacties. Maar wat gebeurt straks met al die jongens en meisjes op de beroepsopleidingen, als de journalistieke arbeidsmarkt verder verslechtert en redacties op slot komen te zitten?
De bijeenkomst op Nyenrode onderstreept de klimaatsverandering bij werkgevers, hoofdredacteuren en opleiders. Zij kijken kritischer naar beroepskwalificaties en het traditionele aanbod van de opleidingsinstituten. Er is behoefte aan betere opleidingsmodellen, nu de roep om grotere journalistieke kwaliteit toeneemt. 'Een journalist zonder historisch besef is zoiets als een blind paard', stelde Frits Bolkestein vorig jaar november in de Volkskrant vast in een opiniestuk over de zeven hoofdzonden van de journalistiek. Die vaststelling sluit goed aan bij de groeiende onvrede in eigen kring.
Over onvrede gesproken. Er is nog steeds een schrijnend tekort aan allochtone journalisten op de redacties. Eerdere pogingen hun aandeel in journalistieke formaties te vergroten zijn mislukt. Nu wordt meer heil verwacht van maatwerk en gerichte acties om de instroom te bevorderen, zoals het geven van masterclasses, het aanleggen van databanken met gegevens van allochtone journalisten en het verbeteren van het imago van de journalistiek in die kringen. Daartoe zullen we gezamenlijk de handen ineen moeten slaan.
Dat zal ook moeten gebeuren om tot een nieuwe, betere CAO te komen. De eerste tekenen zijn weinig hoopgevend. Vorig jaar heb ik gepleit voor een flexibeler beloningssysteem
(afschaffen van de automatische periodieken) en een vorm van prestatiebeloning. In plaats van enig begrip en steun voor mijn pleidooi viel tot mijn niet geringe verbazing, hoon en spot mij ten deel, met name vanuit NVJ-kring. De hervorming van de CAO was daar blijkbaar nog een taboe-onderwerp.
Hoe anders is de situatie een jaar later?
In bredere kring in de vakbeweging klinkt de roep om meer differentiatie als onderdeel van een professioneler personeelsbeleid. Gelukkig maar. Nog altijd is er de noodzaak tot aanpassing van het loongebouw: niet alleen om al te hoge kostenstijgingen te dempen, maar vooral ook om hoofdredacties meer armslag te geven voor het voeren van een actief personeelsbeleid.
In het genootschap is inmiddels de multimediale sectie, die zich buigt over het CAO-beleid, onder enthousiaste leiding van Rimmer Mulder en Ineke Noordhoff, tot grote activiteiten gekomen. De uitbreiding van het genootschap met collega´s uit de niet-dagbladsector, die in 1997 is ingezet, begint nu - naar het zich laat aanzien - haar vruchten af te werpen. Het discussiestuk ´Van Commentator naar Uitgever´, dat vandaag op de agenda staat, is daarvan het levende bewijs.
Hoezeer onze oude en nieuwe leden aan elkaar beginnen te wennen, sterker, van elkaar beginnen te leren, zie ik het toch ook als mijn taak u te wijzen op een thema dat onze gelederen ook gemakkelijk weer kan splijten. Maar de actualiteit dwingt me ertoe een nieuw taboe in uw midden aan de orde te stellen. De voorstellen van het NOS-bestuur om op internet te gaan en een 24-uursnieuwszender te beginnen heeft in kringen van de oude media en de commerciëlen veel kwaad bloed gezet. Begrijpelijk. Pure concurrentievervalsing, zeggen de dagbladen, want de benodigde 50 miljoen euro komt uit de publieke middelen.
Er woedt inmiddels een stevig debat in onze kringen over de redelijkheid van de voorstellen van de publieke omroep. Juist op het moment dat het spelers op de vrije markt danig tegenzit en nieuwsredacties moeten bezuinigen, en fors ook, zijn de plannen voor een NOS-nieuwszender extra wrang. Uiteraard moet ook de NOS kunnen investeren in digitale productieprocessen en inspelen op de toekomstige nieuwsvoorziening. Maar het verstoort de onderlinge concurrentieverhoudingen als de ene partij wel financiële steun van de overheid krijgt en de ander niet. Het wordt tijd dat de overheid een heldere keuze maakt: óf de publieke omroep blijft een gesubsidieerde zender maar dan zonder inkomsten van de reclameboodschappen óf andersom: de subsidies worden afgeschaft, en de NOS doet volwaardig mee in de verdeling van de reclamegelden.
Dames en Heren, ik wil afsluiten met de actualiteit.
Het tweede kabinet Kok is deze week gevallen over de kwestie Srebrenica. Het kritische rapport van het NIOD was de druppel. Vaststaat dat het beeld dat wij van Srebrenica hebben, is gekleurd door de media. In vier lijvige bijlagen schetsen de onderzoekers een nogal mistroostig beeld van de media. Wij, u en ik, hebben een tamelijk stereotiep, versimpeld beeld geschapen van het Bosnische conflict en van de Nederlandse betrokkenheid. Wij, sommigen meer dan anderen, boden 'te veel moraal, te weinig feiten, te veel standpunten, te weinig analyse en te veel emotie'.
Kranten konden dieper ingaan op de situatie ter plekke dan televisieprogramma's die daar vaak geen vaste correspondenten hadden. Maar welk profijt hebben de traditionele media daarvan gehad? Uit evaluaties blijkt dat de Nederlandse journalistieke prestaties het beste kunnen worden gekenmerkt met gemakzucht en provincialisme. Het lijkt erop dat het trauma van Srebrenica voor de politiek ook een trauma is geworden voor de Nederlandse journalistiek.
De politici zijn inmiddels begonnen hun eigen rol kritisch te evalueren. Het zou de media sieren als zij de komende tijd ook hun eigen rol aan een openlijke en kritische zelfreflectie onderwerpen. Kranten en televisie- of radioprogramma's die op onderzoeksgebied een reputatie hebben, kunnen veel eer inleggen met een gedegen en diepgravend onderzoek naar de eigen rol van de media bij het Srebrenica-drama. Lezers en kijkers verwachten niet anders meer van ons.
Amsterdam, april 2002.
Pieter Broertjes

