Jaarrede 2003

Jaarrede van Pieter Broertjes, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, uitgesproken op vrijdag 25 april 2003 tijdens de 44ste jaarvergadering in Krasnapolsky Hotel in Amsterdam.

Waarde collega’s,

Sinds vorig jaar april, sinds onze vorige jaarvergadering in Utrecht, is Nederland in veel opzichten veranderd. Er woedde een storm over Nederland waarvan de gevolgen nog altijd voelbaar zijn. Pim Fortuyn werd in koelen bloede vermoord, in twee verkiezingen werd de PvdA eerst gehalveerd en later weer bijna aan de macht geholpen, Jan Peter Balkenende kreeg het minister-presidentschap stevig in handen, de LPF kreeg eerst een ongekend mandaat van de kiezers om dat later weer verloren te zien gaan, de afgang van Ad Melkert werd de triomftocht voor Wouter Bos en - last but not least - de oorlog in Irak barstte in alle hevigheid los.
Maar dat was nog niet alles. In de voorbije twaalf maanden waren we ook getuige van twee parlementaire enquêtes, over de Bouwfraude en de kwestie Srebrenica, die het aanzien van ons land veranderden. En over aanzien gesproken: wat te denken van het immens populaire programma Idols, waar miljoenen Nederlanders, ook velen van onze leden, vele donkere zaterdagavonden voor thuis bleven.

Hoe vreemd het misschien ook klinkt: het is wel een heilzaam jaar geweest voor het interne journalistieke debat. De media kwamen na de moord op Fortuyn massaal onder vuur te liggen. Karrenvrachten met kritiek werden over ons uitgestort. De uitspraak van oud-LPF bestuurder Peter Langendam naar aanleiding van de moord op Fortuyn dat ‘de kogel van links’ kwam, gold niet alleen linkse politici maar ook de zogenoemde ‘linkse’ media. Die zouden de lijsttrekker van de LPF hebben gedemoniseerd en hebben bijgedragen aan zijn dood. Het illustere advocatenduo Spong en Hammerstein deinsde er zelfs niet voor terug enkele afzonderlijke journalisten en columnisten alsmede de voltallige redactie van NRC Handelsblad voor het gerecht te willen slepen.

Maar de kritiek was breder. Ook in het NIOD-rapport over Srebrenica klonken scherpe verwijten door richting de media. De berichtgeving over het drama daar was te veel gekleurd door opvattingen, emoties en moraal. Verslaggevers ter plekke leken nauwelijks geïnteresseerd in feiten en analyse.
Mijn oproep vorig jaar om te komen tot een kritische zelfreflectie van onze rol in het Srebrenica-drama heeft niet alleen weerklank gevonden bij mijn eigen achterban, de Volkskrant, maar gelukkig ook bij andere kranten en televisieprogramma’s.

Eén van de conclusies van de Volkskrant luidde dat de wil tot interne reflectie er wel degelijk is, maar dat de waan van de dag, de krant van morgen, vaak serieuze pogingen tot een kritische terugblik verijdelt. Dat leidt nog wel eens tot ‘redactionele blindheid’.

Na de dramatische gebeurtenissen begin mei vorig jaar – de moord en de massale uitloop tijdens de begrafenis van Fortuyn – werd de roep om kritisch zelfonderzoek van de media steeds luider en leidde op een breed front tot initiatieven. Er was bij menig journalistieke manager behoefte om de hand in eigen boezem te steken. Het overheersende beeld was dat de heersende elite (politiek en media) zich had verkeken op de stand van het land.

Hoe kon het dat verslaggevers en redacties de ontwikkelingen vanuit de ‘Haagse stolp’ zo verkeerd hadden getaxeerd? Waarom zijn Fortuyn en zijn beweging (eerst Leefbaar Nederland en daarna LPF) vooral afgeschilderd als een (vreemd) fenomeen en niet als een symptoom? Hoe kon het zijn dat de politieke partijen en de media zijn enorme aantrekkingskracht op het electoraat zo hebben onderschat? De kloof tussen politiek en burger bleek eveneens een kloof tussen sommige kranten en lezers, tussen kijkers/luisteraars en audiovisuele media.

Het was Michaël Zeeman die in zijn dankwoord bij het uitreiken van de Gouden Ganzenveer 2002 al in april vorig jaar de twijfelende elites een spiegel voorhield. ‘Het gebrek aan innerlijke overtuiging bij de culturele, de politieke en journalistieke elites creëert inmiddels een beklemmend vacuüm. Het is dat vacuüm waarin populisten springen. Of dat nu de politieke, of de culturele populisten zijn. Ik meen dat zich nog nooit eerder in de Nederlandse geschiedenis een dergelijk vacuüm heeft voorgedaan. (….) Het is de ravage, die inmiddels ontstaat achter de vertrouwde gevels van de instituties. De façades staan er nog, maar daarachter gaat de kaalslag verder. Of het nu gaat om de canonvorming in het onderwijs, de rol van de krant in de democratie of om de culturele functie van de televisie, de zelftwijfel slaat wild om zich heen.’

Hoe dominant de media zijn in de meningsvorming van kiezers blijkt uit het interessante onderzoek van VU-professor Jan Kleinnijenhuis naar de rol van de media bij de Tweede Kamerverkiezingen van mei 2002, getiteld ‘Puinhopen in het nieuws’. Er is in zijn ogen geen sprake geweest van demoniseren, integendeel, Pim Fortuyn stond met 24 procent van de aandacht die tijdens de campagne aan politici is besteed, eenzaam aan kop. Van partijdigheid en manipulatie was ook geen sprake. Nee, de VU-onderzoekers wijzen op een andere fenomeen; namelijk dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor de consequenties van het nieuws. Journalisten willen eventueel wel verantwoording afleggen over de vorm van hun nieuws, maar voelen zich niet verantwoordelijk voor de eindregie.

In de ogen van Kleinnijenhuis cum suis mag van de media een bijdrage worden verwacht ‘om het publiek te immuniseren tegen hype's’. Hij roept hoofdredacties op daarin een rol te spelen. Wij hebben tenslotte meer overzicht vanuit onze algehele journalistieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

De onderzoekers hebben hier mijns inziens een punt. Mediahypes zijn geen nieuw verschijnsel, maar de frequentie ervan is de laatste jaren veel hoger. Er gaat geen avond voorbij of journalisten geven hun mening in de ontelbare hoeveelheid babbelprogramma’s op radio of televisie. Nogal wat journalisten
lijken meningen (niet alleen op de opiniepagina’s) belangrijker te vinden dan feiten. En welke journalist ziet het nog als zijn/haar eerste taak om ‘nederig naar de waarheid te zoeken’. Het gevaar dreigt dat wij, als ‘interpreterende journalisten’ (Brants en Van Praag) evenzeer worden beïnvloed door de stemming in het land (de puinhopen van Paars), door de opiniepeilers, en meelopen in het kuddegedrag van de massa. Gegeven de macht van de journalistiek over de publieke opinie, wie legt daarvoor dan verantwoording af?
Het is te simpel en ook onjuist om, zoals oud-D66 leider Thom de Graaf vorig jaar deed, de pers van onwil te beschuldigen. In zijn ogen is de journalistiek een belangrijke machtsfactor geworden, maar vindt de beroepsgroep het niet nodig om op een volwassen wijze verantwoording af te leggen. De Graaf ontkent hiermee belangrijke initiatieven die bij kranten (Piet Hagen in NRC Handelsblad en de komst van lezersredacteuren bij veel regionale kranten) en televisierubrieken zijn genomen om na Fortuyn en Srebrenica ‘bespreekbaar te maken wat onbespreekbaar was’. Collega Hans Laroes ging, geïnspireerd door het thema de staat en de straat, het verst door een jaarlijkse visitatie van het NOS Journaal voor te stellen en door dagelijks op de website uitleg te geven over de inhoud van uitzendingen en de afwegingen die zijn gemaakt.

Recent stond ook Herman Tjeenk Willink, vice-president van de Raad van State,
uitvoerig stil bij de rol die de media spelen bij het bepalen van de politieke agenda. Hij wijst de zelfstandige rol van de media aan als een van de belangrijke factoren voor de huidige instabiliteit en ineffectiviteit van politiek en openbaar bestuur: kleine incidenten verdringen grote kwesties. Een niet gering verwijt.
De vraag is alleen wie de schuldige is: de politici of de media. Als politici geen onderscheid meer wensen te maken tussen de stamtafel van Barend en Van Dorp en de vergadertafel in de Tweede Kamer dan is er iets grondig mis, zoals columnist Kees Schuyt onlangs schreef. De waarschuwing van Tjeenk Willink is – denk ik – vooral gericht tot de politici zelf.

Kritiek op de media is van alle tijden. Ook vroeger stond het beroep van journalist niet hoog aangeschreven. Ergens tussen de toiletjuffrouw en de postbode. Kritiek op de media komt vaak voort uit kritiek op wat allemaal via de media tot het publiek komt. Die kritiek treft dus vaak niet de journalisten, maar het nieuws zelf. Het oude verhaal dat de boodschapper de schuld krijgt. Soms worden we daar wel eens een beetje moe(deloos) van.

Wat mij betreft kan de kritiek op de journalistiek niet stevig genoeg zijn. Zeker als die kritiek terecht is. Wij moeten beseffen dat er al jaren een stevige vertrouwensbreuk bestaat tussen kiezers en gekozenen, en tussen pers en publiek. Mensen vertrouwen politici niet meer, maar ook instituties zoals kerk en krant (de media), zitten in het beklaagdenbankje. Nog maar 20 procent gelooft wat de pers schrijft, 75 procent niet meer.
Volgens onze Amerikaanse collega James Fallows hebben de media zelf boter op hun hoofd. Mensen zullen geen kranten meer kopen of nieuwsuitzendingen bekijken, tenzij zij het gevoel hebben dat de informatie op de een of andere manier de greep op hun leven bevordert. En dat is waar in zijn ogen de pers het duidelijkst faalt. ‘Te vaak krijgen mensen de indruk dat zij weerloos zijn in het licht van grootschalige ontwikkelingen en dat ze altijd door iemand worden belazerd’, aldus Fallows.

Uit recent Amerikaans onderzoek blijkt het verminderde vertrouwen in organisaties als politie, leger, kerk én media nauw verband houdt met de prestaties van regeringen en politieke instellingen. Er ontstaat, zeker bij jongeren, een zekere mate van onthechtheid. Eerder dan apathie, desinteresse of cynisme. Collega Henk Hofland sprak in dit verband treffend over de ‘gedekoloniseerde burger’. Het is een opdracht aan ieder van ons om onze geloofwaardigheid naar onze lezers, kijkers en luisteraars te behouden en te verstevigen. Aan hen dienen we verantwoording af te leggen en niet aan buitenstaanders zoals de overheid of de burgerij in het algemeen.


Een maatschappelijk debat over de rol van de journalistiek is urgent en noodzakelijk, maar dan wel graag op een wijze die ons verder helpt. De aanbevelingen die de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) onlangs deed in hun rapport Medialogica zijn in onze beroepsgroep op z’n minst omstreden. Niet vanwege de analyse van de Raad ( ‘journalisten zijn te weinig burger met andere burgers’), maar vanwege de oproep tot publieke verantwoording van de media. Er moeten nieuwe instellingen komen zoals een mediawatch-instituut dat het publieke debat over de rol van de media moet stimuleren. Maar ook moet er jaarlijks, namelijk elke derde donderdag in juni, een mediapolitiek verantwoordingsdebat worden georganiseerd. En, als derde, moet er – allemaal volgens de RMO – een landelijke mediaombudsman komen.

Even zovele voorstellen om de mediacratie aan banden te leggen en de verantwoordingsplicht van mediaorganisaties, ‘de decorbouwers van de publieke zaak’, naar burgers te activeren. Hoe goed bedoeld ook, hier slaat de RMO de plank ernstig mis. Zelfregulering is vele malen effectiever dan openbaar aan de schandpaal te worden genageld. Dat ondermijnt ook uiteindelijk het gezag van de ‘waakhonden van de democratie’. We moeten juist niet collectief meedoen aan het populaire gezelschapsspelletje: de boodschapper heeft het altijd gedaan.
Politici spelen dat maar al te graag mee. Als de voormalige Paarse elite problemen heeft met de pers (Hans Dijkstal: ‘ik kan niets met de huidige media’) dan moeten ze het toch in eerste instantie bij zichzelf zoeken. Niet wij alleen, maar ook zij hebben taxatiefouten gemaakt.

En – meer principieel – de media vormen geen onderdeel van de staat. De media zijn onafhankelijk en met uitzondering van de publieke omroep maken ze onderdeel uit van commerciële bedrijven. Het Genootschap verwerpt de gedachte dat de media zich als geheel moeten verantwoorden. De Raad gaat uit van de verkeerde veronderstelling dat de media in ons staatsbestel de rol van controleur hebben (‘Wie controleert de controleurs?’). Die hebben we niet.
Dat is de Tweede Kamer. In een volwassen democratie behoren overheid en de media tegenover en in elk geval los van elkaar te staan, en in ieder geval geen eigendom van elkaar te zijn.

Een tweede denkfout is de veronderstelling dat de media een geheel vormen. Die ontkent de diversiteit die juist het kenmerk vormt van de media in een democratische samenleving. Televisie en geschreven pers vervullen ieder een eigen rol: de een biedt meer amusement en toont vooral ad-hocbeelden, de ander verschaft juist in toenemende mate ‘de context van het incident’. De media zijn ook niet verantwoordelijk voor elkaar en kunnen slechts door de rechter ter verantwoording worden geroepen.

Een mediaombudsman of een (verzwaarde) Raad voor de Journalistiek wijzen wij dus af. Wij zullen geen medewerking verlenen als de overheid dit soort instituten gaat oprichten.
Dat geldt ook voor visitatiecommissies en public hearings. Slechte voorstellen die geen navolging verdienen.


Collega’s,

Het gaat uitermate beroerd in onze bedrijfstak. Kranten- en tijdschriftbedrijven, zowel landelijk als regionaal, lijden onder de zware economische recessie, maar ook de commerciële en publieke omroepen moeten stevig bezuinigen. Afgelopen jaar (‘een jaar van niks’, zoals Wegener-topman Jan Houwert zei) verdwenen maar liefst zes dagbladtitels en verloren zo’n 300 journalisten hun baan; tien procent van het totaal. De vooruitzichten voor dit jaar zijn zo mogelijk nog somberder: sterk teruglopende advertentie-inkomsten van min 20/25 procent en een verder afkalvend abonneebestand. Met name kranten bevinden zich in een gevaarlijke negatieve spiraal: een kleinere kring vaste lezers leidt niet alleen tot minder inkomsten, maar ook tot een kleiner bereik en daardoor wordt de krant minder aantrekkelijk voor adverteerders.

Alleen een krachtig economisch herstel kan dit beeld veranderen. Maar ook dan zullen de structurele problemen waarmee vooral de geschreven media worstelen, zichtbaar blijven: de verschuiving van lees- naar beeldcultuur en de verschuiving van advertenties van kranten naar televisie en internet. Vorig jaar heb ik in uw midden reeds aandacht gevraagd voor het lastige vraagstuk van de oneerlijke concurrentie tussen de dagbladen en de publieke televisie als het gaat om internet en nieuwe media. Dit keer voel ik me opnieuw genoodzaakt te waarschuwen. Zolang er geen ‘level playing field’ ontstaat, zoals ze in Brussel bij de Europese Commissie zeggen, en de forse subsidie van de overheid aan de publieke omroepen doorgaat, raken andere media, met name de dagbladen, in steeds grotere problemen en daarmee komt de pluriformiteit van de pers onder druk te staan.

Voor alle duidelijkheid, dat is geen verwijt aan onze collega’s bij de publieke omroepen, integendeel, zij voeren slechts de wet uit. Het zijn de politici in Den Haag die aan deze concurrentievervalsing een einde moeten maken. Met de recente benoeming van Cees Vis, oud-topambtenaar in Den Haag en nu enkele jaren bestuurder van Pcm Uitgevers, tot lid van de raad van bestuur van de publieke omroep wordt hopelijk het Paard van Troye in Hilversum geïntroduceerd.
Vis heeft als geen ander oog voor deze dilemma’s en zal het ongetwijfeld als een erezaak zien om de financiële huishouding van de publieke omroep transparanter en meer controleerbaar te maken. Ook journalisten binnen de publieke omroep geven aan behoefte te hebben aan transparantie omdat de budgetten van journalistieke programma’s de laatste jaren fors onder druk staan en de indruk is dat er steeds meer managementlagen binnen de publieke omroep zijn ontstaan die teveel geld kosten.

Ik verklap geen geheimen als ik zeg dat bovenstaande discussie tot soms scherpe verdeeldheid leidt in onze ‘vereniging’. In een structureel krimpende markt betekent groei voor de een, verlies voor de ander. De onderlinge concurrentie zal de komende jaren verder toenemen; niet alleen tussen televisie en krant, maar ook tussen kranten onderling. De grote landelijke dagbladen zien nieuw marktaandeel in de regio. De Telegraaf is al in diverse regio’s aan een opmars begonnen en de Volkskrant zal na de zomer ook met een experiment beginnen in de regio Utrecht. Meer dan ooit, onze secretaris schreef het al in zijn jaarverslag, wordt duidelijk hoezeer onze leden contrasterende belangen hebben.

Toch hoop ik oprecht dat de onderlinge verbondenheid groter zal zijn en blijven dan de belangentegenstellingen. Hoofdredacteuren staan dezer dagen voor fysiek en emotioneel zware klussen. Je moet van alle markten thuis zijn: saneren, innoveren, strategisch handelen en snel inspelen op actualiteit.
Ik heb groot respect voor onze collega’s Erik van Gruijthuisen en Frits Campagne van Het Parool vanwege de koelbloedige en doortastende wijze waarop zij hun krant een nieuw leven hebben gegeven. Menig collega, die zwoegend voort moet in de bestaande perscombinaties, zal met enige jaloezie hun heroïsche strijd hebben gevolgd.

Minder jaloersmakend was de wijze waarop collega’s als Ineke Noordhoff (Dagblad van het Noorden), Oscar Garschagen (Algemeen Dagblad) en
Rik Rensen (Nova) de afgelopen tijd tussen de raderen raakten. Deze affaires roepen de vraag op of de traditionele zeggenschapsverhoudingen in de mediabedrijven nog wel van deze tijd zijn. De rechtspositie van een hoofdredacteur – met of zonder redactiestatuut - lijkt net zo kwetsbaar geworden als die van een politicus.

Krantendirecties, ook in Europa, gebruiken de crisissfeer om hun organisaties stevig af te slanken. Wie kan ze daarin ongelijk geven? Zij zijn verantwoordelijk voor de continuïteit van de onderneming. Laten we bovendien uitkijken niet alleen te klagen over alle onheil dat op ons afkomt. Bezuinigingen kunnen ook leiden tot verhoogde creativiteit, noodzakelijke modernisering en professionalisering, en het opruimen van donkere hoekjes op redactiezalen.

Toch is een waarschuwing op zijn plaats als de redactionele kwaliteit in het geding komt.
Dat is geen hobby van hoofdredacteuren alleen. De eerste geluiden uit het veld zijn sombermakend. Voorstellen om te komen tot rompkranten, waarbij de vormgeving identiek is voor de ene of de andere regio zijn fnuikend voor het journalistieke profiel van regionale kranten. Maar ook voorstellen om te komen tot één landelijke advertentiebijlage moeten met de grootst mogelijke argwaan worden bekeken.

Arthur Sulzberger, uitgever van de The New York Times, vatte zijn visie op de vernieuwing van de krant ooit in één zin samen: ‘er moeten meer tomaten in de soep.’ ‘Meer redacteuren dus? Of meer pagina’s?’, vroeg zijn hoofdredacteur. ‘Nee, meer kwaliteit.’ Als bezuinigingen leiden tot aantasting van de autonomie van redactionele organisaties, gedwongen fusies tussen krantenredacties, minder geld voor correspondenten in binnen- en buitenland en voor speciale projecten zoals onderzoeksjournalistiek, dan gaat dat ten koste van de kwaliteit waar Sulzberger om vraagt. Dan verzwakt de journalistieke slagkracht van de media en dat betekent uiteindelijk een aantasting van onze waakhondfunctie.

Ik wil collega’s oproepen om meer ‘out of the box’ te denken. Laten we proberen nieuwe wegen in te slaan. In plaats van ‘klantjepik’ werken aan strategische allianties tussen landelijke en regionale kranten, tussen geschreven pers, (lokale) radio en (lokale) televisie, en tussen oude media en internet. Eén zwaluw maakt nog geen zomer, maar het particuliere initiatief van uitgever Roland Pelle om Kidsweek, een krant voor jonge mensen van 11 tot 15 jaar te maken, verdient onze hartelijke steun. Niets is zo belangrijk als te investeren in een nieuwe, jonge generatie lezers.

De kaalslag op de lezers- en advertentiemarkt zal onvermijdelijk leiden tot verdere inkrimping van redacties. Ook op dat front dienen we waakzaam te zijn.
De instroom van jongeren, laat staan allochtone jongeren, stagneert overal. Daar staat tegenover dat het aantal jong gediplomeerde journalisten jaarlijks stijgt, evenals het aantal opleidingsplaatsen. Journalistiek en communicatie hebben blijkbaar nog altijd een sexy imago, terwijl in de praktijk de arbeidsmarkt zeer krap is geworden. Het bestuur van het Genootschap heeft onlangs zijn grote bezorgdheid over deze tegengestelde ontwikkelingen kenbaar gemaakt aan de vertegenwoordigers van de hbo- en universitaire opleidingen.
Over bezorgdheid gesproken, staat u mij toe – tot slot – nog een enkel woord te wijden aan de nieuwe CAO´s, zowel voor dagbladjournalisten als voor de sector tijdschriften en de omroep. Een jaarlijks terugkerend onderwerp, helaas. Het overleg tussen de werkgevers en de NVJ stokt dit keer op alle drie de fronten.

En niet alleen vanwege verschillende looneisen, maar omdat partijen geen kans zien werkelijk zaken te doen als het gaat om een flinke modernisering van de CAO. Het overleg over de herijking van het loongebouw in de dagbladsector verloopt nog steeds uiterst moeizaam. De gesprekken in de studiecommissie zijn weer vastgelopen. Ondanks de harde afspraak tussen de onderhandelaars dat het eindrapport eind vorig jaar beschikbaar zou zijn, is de kans uitermate klein dat er voor de zomer een unaniem advies ligt aan CAO-partijen. Dat is onaanvaardbaar.

Als uw voorzitter roep ik alle CAO-onderhandelaars op nu snel tot zaken te komen. Laat de dagbladsector dit keer het goede voorbeeld geven! Vorig jaar leek een doorbraak in de slepende gesprekken tussen NVJ en NDP in de dagbladsector nog slechts een kwestie van tijd. Een gezamenlijke studiecommissie moest alleen het noodzakelijke voorwerk doen, opdat de verouderde CAO eindelijk kon worden gemoderniseerd. Meer flexibiliteit en minder rigide regeltjes, luidt ons motto.
Het Genootschap hamert bij monde van onze onvermoeibare collega Rimmer Mulder voortdurend op de eigen verantwoordelijkheid van hoofdredacties in het personeelsbeleid en het opzetten van een nieuw en transparant functiewaarderingssysteem. Het zou de NVJ sieren iets meer vertrouwen te hebben in hun journalistieke managers en zich in deze lastige materie achter het Genootschap op te stellen. Alleen dan kunnen we vaart maken.


Dames en heren,

Laat ik na alle dilemma’s en somberheid positief eindigen. Er is ook alle reden voor enig optimisme. Laten we, in plaats van te blijven stilstaan bij alle fouten die in het afgelopen jaar zijn gemaakt, weer wat vaker bedenken dat er nog steeds heel veel en vaak op hoog journalistiek niveau wordt gewerkt. Het is onderhand wel mooi geweest met al die kritiek. Laten we weer trots zijn. Op onszelf, en op elkaar.

De Amerikaanse politicologe Pippa Norris steekt in haar boek A Virtuous Circle
de media een hart onder de riem. In plaats van het geijkte beeld van de apathisch voor de buis liggende burger die nergens meer vertrouwen in heeft, schetst zij een ander perspectief. De mondiger, beter opgeleide burger is de laatste dertig jaar – dank zij het sterk verruimde aanbod aan nieuwsbronnen via televisie en kranten – in staat de beste informatie op te pikken die hij of zij zoekt, en praktische politieke keuzes te maken. Kranten en tv-stations, met name regionale, die nieuws ‘van onderop’ brengen, en niet uitsluitend vanuit het gezichtspunt van deskundigen of instituties, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het activeren van burgers tot deelname aan het openbare leven.
Eén van de voornaamste drijfveren van de ‘civiele journalistiek’, die ook in Nederland langzaam terrein verovert.

In de Verenigde Staten publiceerden twee gezaghebbende journalisten, Bill Kovach en Tom Rosenstiel, onlangs negen principes die met elkaar de missie van de moderne journalistiek uitdragen en een bijdrage leveren aan het herstel van vertrouwen van lezers en kiezers in de media:
1. De eerste verplichting van de journalistiek is het dienen van de waarheid;
2. Haar eerste loyaliteit ligt bij de burgers, niet bij organisaties;
3. Het wezen van de journalistiek als discipline is verificatie van feiten en beweringen;
4. De beoefenaren moeten onafhankelijk zijn van degenen over wie zij berichten;
5. Journalistiek moet dienen als een onafhankelijke inspectie van de macht;
6. Zij moet een forum voor openbare kritiek en debat verschaffen;
7. Zij moet ernaar streven zaken van belang te presenteren als interessant en relevant;
8. Zij moet het nieuws begrijpelijk maken en in de juiste verhoudingen plaatsen;
9. De journalisten moeten hun eigen geweten kunnen volgen.

Met het navolgen van deze negen standaarden kan de journalistiek zijn meerwaarde teruggeven ten opzichte van informatie die ongericht tot lezers komt. Lezers en kijkers die meer greep willen krijgen op hun directe omgeving en de wereld ver weg, vragen van kranten, radio en televisie niet alleen zorgvuldigheid en duiding van het nieuws, maar ook een heldere positiebepaling, een eigen profiel. Vroeger was de krant een meneer-op-afstand, tegenwoordig hechten lezers aan meer communicatie met hun krant, blad of programma. Dat vergroot de binding en herstelt het vertrouwen tussen pers en burgers.

Dank voor uw aandacht.

Pieter Broertjes
25 april 2003

Redevoeringen

Alle redevoeringen

Contact

Indien u vragen heeft kunt u zich wenden tot het secretariaat van het Genootschap.
Contact



© Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren
Design & technische realisatie: Nico van Veenendaal