Jaarrede 2005
Jaarrede van Pieter Broertjes, voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren, uitgesproken op vrijdag 15 april 2005 tijdens de 46ste jaarvergadering in Den Haag.Dames en Heren, geachte collega’s,
Het is niet mijn gewoonte te klagen en al helemaal niet in het openbaar ten overstaan van mijn zeer gewaardeerde collega’s, maar staat u mij toe u voor een korte tijd deelgenoot te maken van mijn ongemak.
De ongeschreven wet dat uw voorzitter jaarlijks een bespiegeling wijdt aan het wel en wee in ons vak wordt elk jaar lastiger, zo niet onmogelijk. Want hoe kan ik het woord voeren namens u allen, als de onderlinge concurrentie zo hevig is en de problemen voor velen zo hoog zijn opgetast? En hoe kan ik u een spiegel voorhouden als ik zelf misschien wel een stevige balk in mijn oog heb? Of hoe kan ik tot nauwere samenwerking oproepen, als in onze gelederen argwaan en achterdocht welig tieren? Niet dat ik u dat verwijt, allerminst, want ik begrijp de onderlinge animositeit heel goed; sterker, ik ervaar die als lid van de PCM familie ook regelmatig. Vissers die allemaal in dezelfde vijver vissen, krijgen op een dag ruzie: zo simpel is het.
Hoe onmogelijk mijn jaarlijkse opdracht ook is, ik wil u – in mijn laatste jaar als uw voorzitter! - vandaag toch graag nieuwe perspectieven schetsen en op zijn minst waarschuwen voor gemene valkuilen. Maar ik wil vooral iets zeggen over ons vak en over ons vakmanschap. Het wordt weer eens tijd voor een ode aan ons prachtige beroep. Juist nu, ook in het afgelopen jaar, de kritiek op ons functioneren weer van alle kanten losbarstte.
In het voorbij jaar 2004 profiteerden de kranten nog nauwelijks van het lichte economische herstel. Het lijkt er op dat kranten langer last hebben van een economische neergang dan andere bedrijfstakken. Ook dit jaar wordt nog geen serieuze opwaartse ontwikkeling verwacht. De crisis in krantenland – met name in de randstad - duurt voort en verdiept zich. De structurele problemen op de advertentiemarkt worden bovendien versterkt door een ernstige oplagecrisis. Ieder van ons verzint de gekste dingen om nieuwe lezers aan zich te binden. De Haagsche Courant startte – met succes - een zoekactie onder lezers om het tekort aan leerkrachten op te heffen en zocht via de krant buddy’s voor eenzame ouderen.
En ook onze collega’s in Groningen, Eindhoven en Limburg trachten met alle macht weer nieuwe, liefst jonge lezers aan hun kranten te binden.
Er is gelukkig een ommekeer waarneembaar in het aanwijzen van de schuldigen voor de daling van abonnementen en losse verkoop van kranten. Praatten we elkaar voorheen aan dat het in de eerste plaats een kwestie van ontlezing is, vooral onder jongeren, tegenwoordig steken we de hand meer in eigen boezem. We stellen ons nu gelukkig de vraag hoe het komt dat we er onvoldoende in slagen een krant te maken die relevant is.
Kranten die beter in staat zijn aansluiting te zoeken bij de directe belevingswereld van mensen, houden het – blijkt uit CPB-onderzoek - het langste vol. Regionale dagbladen moeten schrijven over kwesties die lezers in hun regio bezighouden. Dat klinkt simpel, maar dat is het allerminst. Nabijheid, daar gaat het om.
De veelbesproken kloof tussen lezer en media is reëel. Redacties hebben veel te lang alleen hun eigen interesses als norm gehanteerd bij de vraag of iets een verhaal waard was of niet. Lezers accepteerden dat aanbodgerichte handelen lange tijd omdat – bijvoorbeeld - lezen van een krant er nu eenmaal bij hoorde. Dat werd gezien als een maatschappelijke plicht.
Die maatschappelijke norm – wie erbij wil horen leest een krant – is voorgoed verleden tijd. De cijfers liegen niet. Twintig jaar geleden viel ’s morgens vroeg bij 85 procent van de huishoudens een krant op de mat, vandaag de dag is dat percentage geslonken tot 64.
Internet en televisie hebben de positie van de krant overgenomen. Had in 1993 slechts
3 procent van alle huishoudens een Internetaansluiting, in 2004 was dat percentage opgelopen tot 74. En denk nou niet dat alleen jongeren daarvan gebruik maken. Eén op de vier
65-plussers begeeft zich minimaal 1 keer per week op Internet. En daarmee is de digitale doorbraak van de oudere Nederlander een feit.
De opkomst van de internetgeneratie heeft verregaande gevolgen voor ons, de traditionele nieuwsbrengers. Hun vertegenwoordigers lezen minder betaalde kranten en kijken zelfs minder televisie. In 1975 las van de 12- tot 20-jarigen nog 60 procent een krant, in 2000 nog slechts krap 20 procent. Een afname van 65 procent. Een iets oudere generatie levert geen beter beeld op. In de groep 20- tot 35-jarigen is de afname van krantenlezers in 25 jaar tijd bijna 50 procent gezakt (van ruim 80 naar 45 procent die nog een krant leest).
En dan heb ik het nog maar niet over onze allochtone jongeren. Uit een recent onderzoek (2003) onder Marokkaanse jeugd van 15 tot 20 jaar blijkt dat Spits met 53 procent het best scoort onder de kranten, betaald en onbetaald. En televisie? Driekwart kijkt regelmatig naar GTST en de helft naar het Journaal. En verder is het vooral RTL4, Yorin en MTV/TMF.
Voor het volgen van het nieuws zijn de tv-zenders uit het moederland (met name voor Turkse en Marokkaanse jongeren) een belangrijke informatiebron. Ook Internet komt de laatste jaren sterk op in die kringen.
Het internettijdperk dwingt ons goed na te denken over welke stappen we moeten nemen om uit het dal te komen. Collega Bart Brouwers van Dagblad De Limburger pleitte onlangs in
De Journalist voor meer ‘mentale flexibiliteit’; de vaardigheid om bestaande werkwijzen los te laten en zich aan te passen aan een veranderende omgeving. Continu en structureel. Oplagestijging zit er domweg niet meer in. Deelabonnementen kunnen – waarschijnlijk tijdelijk – enig soelaas bieden: dat zullen redacties en vooral onze uitgevers moeten accepteren. Kijk om ons heen! In alle landen is het patroon hetzelfde: minder kranten en kleinere lezerskringen. Dat schept een band.
Een radicale omslag in ons denken en doen is dus hard nodig. De krant zal zichzelf opnieuw moeten uitvinden nu de slag om de tijdsbesteding definitief is losgebarsten. Kernvragen die we ons moeten stellen zijn: hoe snel voltrekt zich de omslag van lees- naar beeld- en kijkcultuur, en hoe zal de consument over tien jaar nieuws tot zich nemen, als we ervan uitgaan dat beperkingen van tijd en plaats zullen verdwijnen? En is de opkomst van Internet onomkeerbaar of kunnen we dat patroon nog enigszins beïnvloeden? En hoe bewerkstelligen we dat adverteerders straks hun campagnes ook nog in papier willen terugzien of uitsluitend in andere media?
Wie niet op dit veranderende consumptiepatroon inspeelt, wie de lezer en kijker niet meer ‘op maat’ bedient, kan het op termijn schudden. Een schokkend cijfer. Las een dertigjarige in 1975 ruim 2 uur per week in de krant, in 2000 was daar amper een halfuur van over.
En in 2005 zal dat beeld niet beter zijn geworden. Een nog schokkender cijfer om de moed niet te verliezen. Volgens het Centraal Plan Bureau (CPB) besteden jongeren van 12 tot 19 jaar nog maar 1 minuut per dag aan het lezen van een krant. De vraag die velen van ons bezighoudt, is waarom zou iemand nog een betaalde krant kopen als de honger naar nieuws - want die is niet verminderd - op zoveel andere manieren kan worden gestild?
Er zijn gelukkig ook lichtpuntjes. Voor studenten en medewerkers van de Universiteit Utrecht is Internet niet het meest populaire medium als het om het nieuws gaat. Uit een recent onderzoek blijkt dat 40 procent televisie kijkt om het dagelijkse nieuws te volgen en 30 procent de krant leest voor de broodnodige achtergronden en nuances. Utrecht bedankt!
Velen van u voeren deze strategische discussie al een aantal jaren. Nieuwe initiatieven buitelen over elkaar heen: van gratis krant tot weekeditie voor jongeren, van tabloidformaat tot speciaal regiokatern en van weekendabonnement tot zondagskrant. De ambitie is om 24 uur per dag aanwezig te zijn. Het journalistieke verhaal staat centraal, niet de manier waarop het naar buiten wordt gebracht, via de drukpers, het weblog of een sms-dienst.
De grootste en moedigste operatie van de laatste tijd is ongetwijfeld de creatie van de nieuwe Randstedelijke tabloidkrant. Met de fusie van het Algemeen Dagblad en zeven regionale kranten wordt een geheel nieuw krantenconcept getest in een lastige geografische omgeving. In de grote steden in de Randstad hebben juist regiokranten een zware tijd achter de rug.
De vraag is of de nieuwe krant in dat enorme verspreidingsgebied ook een regionaal profiel kan ontwikkelen. Op het eerste gezicht lijkt het een stevige spagaat. Cruciaal zal zijn of er daadwerkelijk een kwaliteitsslag kan worden gemaakt en het plan straks niet alleen uitpakt als een drastische bezuinigingsoperatie, met alle ellende van dien zoals ontslagen vakbroeders.
Collega’s,
Ook in het voorbij jaar zijn weer vele onderzoeken naar het wel en wee van de media verschenen. Het belangrijkste document is ongetwijfeld het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Focus op functies, dat begin februari het licht zag.
In menig opzicht zijn de aanbevelingen van de raad de moeite van het bestuderen waard.
De opsteller, prof. Wim van de Donk, stelt niet alleen vast dat dagbladen “in de hoek zitten waar de klappen vallen”, maar schetst tevens een aanlokkelijk toekomstperspectief.
Uitgevers van dagbladen, maar ook televisiebestuurders en de overheid dienen de grondslagen van ons mediabeleid grondig te herzien.
Alle indexen staan op rood, tenzij de wetgeving wordt aangepast waardoor structurele belemmeringen voor intensievere samenwerking tussen kranten, televisie, óók de publieke omroep, en radio worden opgeheven. Dat is een eerste opdracht voor de politiek.
Maar ook klassieke krantenuitgevers moeten de steven wenden en ‘out of the box’ leren denken. De opkomst van gratis kranten heeft de oude media behoorlijk onder druk gezet.
Ze moeten, als producenten van inhoud, investeren in nieuwe producten die moderne nieuwsconsumenten beter op maat bedienen: uitbreiding van de website met meer beeld en videoproducties, toegang tot mobiele telefoons, introduceren van webdagboeken voor lezers, kopen van digitale themakanalen en samenwerken met televisieproducenten.
Het trage en ietwat ouderwetse krantenbedrijf moet een swingend en snel multimediabedrijf worden of een enkeltje nemen naar het Persmuseum. Nieuwe technieken op Internet en segmentatie op de lezersmarkt bieden uitgevers en hoofdredacties allerlei nieuwe kansen om hun organisaties om te vormen van aanbod naar vraaggestuurd. Ook internationaal is de trend: luister beter naar je lezers en doe aan productdiversificatie.
De zelfbewuste klant is koning. Dat adagium is in Hilversum helaas nog geen gemeengoed. Schetst de voorzitter van de WRR voor de krantenbazen al een minder tobberige strategie, voor de Hilversumse en Haagse omroepvrienden zijn de aanbevelingen helemaal glashelder. Omroepverenigingen moeten nu eindelijk eens een toontje lager zingen. Amusement en reclame zijn geen kerntaken meer van de publieke omroep. Ook andere mediabedrijven en maatschappelijke organisaties moeten toegang krijgen tot die publieke omroep. Nieuwe toetreders zoals John de Mol vereisen meer dynamiek van de huidige spelers en een forse gedragsverandering.
Gesteund door de radicale analyse van de WRR heeft de voorzitter van de raad van bestuur van de NOS, Harm Bruins Slot, zijn collega’s van de omroepen de wacht aangezegd.
Wie nu niet inziet dat het tij keert en ‘het uur U’ is aangebroken, is bijziend. Hij stelt terecht dat een ledenbestand niet langer het enige criterium is om aanspraak te maken op publiek geld. Sterker, de verzuilde achterbannen van de omroepverenigingen zijn geen weerspiegeling meer van de Nederlandse samenleving. En zo ja, waarom wordt er dan geen serieuze contributie geheven?
De politici zijn nu aan zet. Het paasakkoord over de toekomst van de publieke omroep is door D66 gepresenteerd als een belangrijke doorbraak; puur amusement moet vanaf 2008 worden overgelaten aan de commerciële omroepen, zodat de publieke omroep zich ten volle kan concentreren op opinievorming en maatschappelijk debat. Of D66 inderdaad een doorbraak heeft weten te forceren, moet de komende jaren blijken. De geschiedenis van de Nederlandse omroeppolitiek laat zien dat het daadwerkelijk doorvoeren van veranderingen niet tot de krachtigste eigenschappen van de publieke omroep behoort.
In elk geval heeft staatssecretaris Van der Laan voor elkaar gekregen dat de omroepvoorzitters eindelijk een adviserende rol krijgen in plaats van de beleidsbepalende, en heeft ze er duidelijk voor gekozen de zeggenschap over de omroep bij een krachtige raad van bestuur te leggen. Dat kan de slagvaardigheid van de omroep alleen maar ten goede komen; een slagvaardigheid die de omroep hard nodig zal hebben in de voortdurende strijd met de commerciële Nederlandstalige zenders, waarvan er in augustus weer eentje bij komt.
Van der Laan heeft zich nadrukkelijk laten inspireren door de analyse van de visitatiecommissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan en door het rapport van de WRR, dat ook aan dagbladen nieuwe perspectieven biedt. Samenwerking tussen omroepen, dagbladen en maatschappelijke organisaties kan voor alle partijen gunstig uitpakken.
Dames en heren,
Eind vorig jaar vond er een uniek treffen plaats in de Trêveszaal in Den Haag tussen drie leden van het kabinet en ruim twintig leden van het Genootschap. Aanleiding was de berichtgeving over de moord op Theo van Gogh en de felle kritiek van enkele bewindslieden op de media. Volgens de aanwezige kabinetsleden Balkenende, Remkes en De Graaf wordt het de hoogste tijd dat de media hun verantwoordelijkheid nemen in deze verwarrende tijden: er is te veel aandacht voor negatieve ontwikkelingen in de samenleving, waardoor de media “vuur aantrekken” (Remkes).
Waarom, zo vroegen de bewindspersonen zich af, bieden de media een platform aan lieden als de Nederlandse moslim Van de Ven, waardoor tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen onnodig worden versterkt. Is het geen tijd voor enige bezinning?
De bijeenkomst werd nogal wisselend gewaardeerd door de aanwezigen. Voor een herhaling bleek achteraf weinig animo te bestaan. Beide partijen hebben immers hun eigen verantwoordelijkheid en soms publiceren die lastige media minder welgevallige feiten.
So what? Het gaat toch echt te ver om te beweren, zoals minister Zalm deed, dat de media schuldig zijn aan de slechte beeldvorming over het kabinetsbeleid.
Het gesprek op hoog politiek niveau illustreerde wel treffend hoezeer politiek en media elkaar in een ijzeren wurggreep houden. In Haagse kringen, maar ook daarbuiten, wordt de macht van de media in toenemende mate gezien als een politieke factor van betekenis, maar dan zonder navenante verantwoording af te leggen.
Niet voor niets dat de WRR ook een pleidooi houdt voor een ‘aanspreekbare journalistiek’ door versterking van de zelfregulering en het zoeken van de confrontatie met elkaar en met lezers, luisteraars en kijkers. Een pleidooi dat overigens sinds jaar en dag wordt gesteund door het Genootschap. Ook uit welbegrepen eigenbelang trouwens, aangezien in Brussel vrij serieus een richtlijn wordt voorbereid die ‘een wettelijk recht op weerwoord’ regelt.
Media kunnen dan door de rechter worden gedwongen kritiek op hun journalistieke producten te plaatsen. Geen vrolijk makend perspectief.
Over het lastige leerstuk van de verantwoordelijkheid en de media heeft onze Britse collega John Lloyd van de Financial Times ons in zijn boek “What the media are doing to our politics” een aardige spiegel voorgehouden. Televisie maakt volgens hem politieke partijen en het parlement overbodig. Politiek is een media-activiteit geworden en daardoor zijn de spelers veranderd. De ruimte voor objectieve en evenwichtige journalistiek is onderhevig aan steeds meer beperkingen. Aanhangers van de journalistieke waarheid (‘to tell it like it is’) krijgen het lastig nu de concurrentiestrijd steeds zichtbaarder wordt.
Lloyd pleit voor degelijke journalistiek, een vorm van ‘slow journalism’. Veel journalisten zijn slordig, willen te graag scoren, nemen het niet altijd even nauw met de feiten en zijn te zeer verwikkeld in een wedstrijd om de macht met politici. Hij vindt dat de media, die een aanzienlijke macht vormen, ook zelf ter verantwoording kunnen worden geroepen.
Wij zullen als beroepsgroep veel opener moeten worden over onze motieven, over onze eigen politieke opvattingen; wie we zijn en wat we zijn. Wij zullen, aldus collega Lloyd, onze eigen standaarden moeten verhogen. Hij roept op ons te bezinnen op onze motieven en vooroordelen. Ik steun die oproep graag.
Hoofdredacteuren - schapen met zeven poten, aldus Hugo Brandt Corstius - hebben daarin een belangrijke rol en daarmee raak ik aan de kern van het debat vandaag: hoe zit het met de verantwoordelijkheid van de hoofdredacteur? Goede journalistiek moet de tijd nemen voor grondig bronnenonderzoek, feiten en commentaar scheiden en zich terdege rekenschap geven van de consequenties van eigen interpretaties. Ziet de hoofdredacteur daarop in voldoende mate toe? In eigen kring neemt de ambachtelijke zelfkritiek toe. Zijn we nog in staat de waarheid te vertellen en zijn we niet steeds meer geïnteresseerd in meningen en fictie, dan in blote feiten? Of zoals Lloyd zegt: “The division between news and comment has tended to erode and the habit of comment has become general”.
De Tsjechische oud-president Václav Havel heeft ooit gezegd: hoe ongunstiger onze tijd is voor politici die rekening houden met lange termijnontwikkelingen en nederig zoeken naar de waarheid, hoe meer er aan zulke politici behoefte is. Zo ook is nu meer dan ooit behoefte aan goede verslaggevers en nog betere journalistieke bazen.
In onze, soms wanhopige ontdekkingstocht naar nieuwe consumenten moeten we onze kerntaak niet verwaarlozen: blijven zoeken naar de waarheid. Tegenover collega Folkert Jensma zei Lloyd het in NRC Handelsblad vorig jaar december zo: “We kunnen niet meer als hoofdredacteuren stilzitten en tegen de lezer zeggen: ik geef u de enige waarheid en de juiste mening. Je krijgt meteen een e-mail terug van je lezer met de mededeling ‘helemaal niet! Rubbish! Dagbladen worden meer centra van concurrerende interpretaties, meningen en uitdagingen. (..) We moeten wel vasthouden aan de opvatting dat journalistiek bestaat om complexe zaken te interpreteren. En om mensen die het onderling nooit eens zullen zijn, toch de indruk te geven dat wij ten minste proberen om de waarheid te vertellen.”
Collega’s,
Ik sluit af. Maar niet voordat ik kort terugblik op het wel en wee van onze vereniging.
Ik zeg bewust vereniging omdat ik soms het gevoel heb dat we een beetje afglijden naar het type gezelligheidsvereniging. Vandaag is de opkomst weer redelijk, maar op onze themabijeenkomst in het najaar en tijdens de Nieuwspoort-lunches is het soms bedroevend slecht. Dat patroon baart het bestuur zorgen. Er lijkt maar één hoogtepunt te zijn en dat is het jaarlijkse diner met partners en de uitreiking van de Gouden Pen en Tape.
Een najaarsvergadering die door krap 20 mensen wordt bezocht en lunches die - buiten de bestuursleden om – door niet meer dan 15 collega’s worden bezocht; vrienden, dat is beschamend. Als daarin niet snel verbetering komt, overweegt het bestuur met het organiseren van deze activiteiten te stoppen. Met pijn in het hart, want het Genootschap zou juist in deze moeilijke jaren ook een club kunnen zijn waarin we troost bij elkaar zoeken en nieuwe kennis op doen. Maar alleen als u dat wilt.
U bent van mij gewend dat ik mijn jaarredes meestal afsluit met een citaat van een oud-collega of een schrijver. En u had nog iets te goed van me: de ode aan ons vak. In het gedegen overzichtswerk van Huub Wijfjes ‘Journalistiek in Nederland: 1850 – 2000’ werd ik getroffen door een citaat van Israël Querido uit 1932. In dat citaat ligt alles besloten over ons vak en onze ambities. Ik zou zeggen: zegt het voort en handel ernaar.
“Een journalist is een geraffineerde opmerker, fascinerend snelbeelder, spotter, polemist, psycholoog, mensch- en maatschappijdoorgronder. Hij overziet bliksemsnel allerlei situaties in het leven. Hij doorboort het brein van de politicus, onthult het huichelende geweten van een moralist. Hij snijdt gezwellen door. Hij geneest weer. Hij schermt met rietslank floret of hakt met een houwdegen.”
Dank u.
Pieter Broertjes
Amsterdam; april 2005
Voor dit verhaal heb ik gebruik gemaakt van diverse bronnen, o.a.
Focus op functies, Uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid, door WRR. Uitgever: Amsterdam University Press, 2005.
De Hoofdredacteur, door H. Brandt Corstius. Uitgever: de Volkskrant, 1995.
Schuivende Grenzen, door Mirjam Prenger en Frank van Vree. Uitgever: NVJ, 2004.
What the media are doing to our politics, door John Lloyd. Uitgever: Constable & Robinson Ltd, 2004.
Waar zijn de feiten gebleven?, door Martin Sommer. Onderzoeksopzet. Niet gepubliceerd, januari 2005.

