Jaarrede 2006

Jaarrede van Pieter Broertjes, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, uitgesproken op vrijdag 21 april 2006 tijdens de 47ste jaarvergadering in Groningen.

Dames en heren, geachte collega’s,

Acht jaar mocht ik uw voorzitter zijn. Ik draag vandaag de scepter over aan mijn opvolger.
Het waren onrustige jaren voor onze beroepsgroep. En vooral ongunstige jaren. Met de komst van internet, in 1993, begon in Nederland de afkalving van de traditionele massamedia.

Anno 2006 is internet het populairst en het meest gewaardeerde medium onder jongeren van
15 tot 34 jaar. Kranten bungelen qua waardering (6,7) onderaan de lijst. Internet is de favoriet voor het krijgen van algemene informatie. Televisie is voor jongeren het belangrijkste medium om op de hoogte te raken van nieuws en om voor de hoognodige ontspanning te zorgen.

En de betaalde krant? Die lijkt in toenemende mate een 'speeltje' aan het worden voor de elite. Nog maar de helft van de Europese managers ziet de traditionele krant nog als een primaire informatiebron voor zakelijk nieuws en achtergrond. En de rest? Die haakt af. Twintigers, dertigers nemen geen abonnement meer. Bijna een kwart zegt te overwegen een tijdschriftenabonnement op te zeggen en 12 procent speelt met de gedachte het krantenabonnement de deur uit te doen. Een hele generatie dreigt ons definitief de rug toe te keren.

In 1998, het jaar dat ik voorzitter werd, zag de mediawereld er nog prettig overzichtelijk uit.
Er werd veel geld verdiend met de klassieke papieren krant, de publieke omroep verkeerde in goede gezondheid en de commerciële omroepen bevochten en kregen een stevige plaats in het Hilversumse medialandschap.

Nu, acht jaar later, kelderen de oplagecijfers en advertentie-inkomsten van betaalde kranten, een enkele uitzondering daargelaten. De pressie van de commercie is enorm en zet menige hoofdredacteur onder grote druk. Alles draait om rendementscijfers, kijkcijfers en waardecreatie voor de aandeelhouders. Hoe anders dan in de tijd van de goede oude Opland die overal rondbazuinde: ‘De krant is het geestelijk eigendom van de redactie’!

Ik vrees dat de mediacrises waarin we verzeild zijn geraakt, structureel zijn.
De media liggen onder vuur. Elke jongere generatie leest minder dan de voorgaande. Jongeren en vrouwen kijken veel minder televisie. Alleen de radio handhaaft zich redelijk. Maar liefst 80 procent van de jongeren is geïnteresseerd in de radio. Leve iPod!

Onder invloed van digitale ontwikkelingen is de wijze waarop nieuws - met name door jongeren - wordt geconsumeerd, volledig veranderd. Traditionele scheidslijnen tussen informatie, duiding en amusement worden minder belangrijk gevonden. Mensen willen zélf bepalen wat ze waardevol vinden en wat niet.

Mediaonderzoekster Irene Costera Meijer van de Universiteit van Amsterdam zegt in haar interessante studie over de toekomst van het nieuws:
‘De postmoderne nieuwsconsument heeft meer behoefte aan ervaringen dan aan informatie.’ Jongeren ‘snacken’ het nieuws liever dan dat ze zich verdiepen in een paginagroot artikel. Ze kiezen nog uitsluitend voor nieuws dat dicht bij hun belevingswereld ligt.
Jonge mensen van twintig tot dertig jaar zijn niet ongeïnteresseerd, maar altijd op zoek naar nieuws waar ze iets aan hebben - naar de betekenis van het nieuws. Deze trend is in Amerika al veel langer zichtbaar. Oud-verslaggever van CNN en perswetenschapper David Mindich beschrijft in zijn boek Tuned Out waarom jonge mensen onder de veertig steeds minder belangstelling hebben voor het klassieke nieuwsaanbod. Nog geen twintig procent leest elke dag een krant. En op de televisie volgen ze het avondnieuws ook al niet.
Nieuws doet er niet meer toe, omdat het ze niet raakt.

Mindich maakt zich terecht grote zorgen over de snel afnemende belangstelling voor de politiek. Een goed functionerende democratie begint uiteindelijk bij een goed geïnformeerde burger. Een sterke pers, die de publieke controle uitoefent, is daarbij onontbeerlijk.

De oorzaken van de afnemende belangstelling voor het reguliere nieuws zijn velerlei. In een nuttig artikel in NRC Handelsblad van 11 maart (‘Jongeren keren zich af van het nieuws’) loopt Warna Oosterbaan een aantal verklaringen langs.
De toenemende individualisering leidt tot een minder actief burgerschap zoals het lidmaatschap van politieke partij, vakbond, kerk en deelname aan verenigingsleven. Maar ook het abonnement van een krant wordt minder vanzelfsprekend. Gebrek aan tijd is niet de belangrijkste factor. Integendeel, tijd in overvloed. Voor entertainment, soaps, reality shows: de namaakwereld in optima forma.

Mindich en andere Amerikaanse onderzoekers wijzen erop de hand ook in eigen boezem te steken. Zij laten doorklinken dat de serieuze journalistiek in haar streven naar meer kwaliteit wel érg afstandelijk is geworden. Die toegenomen professionaliteit schept ook distantie naar de lezer. Kwaliteitskranten van nu zijn kritischer, onafhankelijker geworden en onthullen meer ongemakkelijke feiten, maar zijn ondertussen ook het contact met de mensen voor wie ze schrijven, kwijtgeraakt.

Is er nog hoop, vraagt Oosterbaan dan aan zijn Amerikaanse gesprekspartners. Meer nieuws op televisie en internet, antwoordt Mindich. En meer humor, zoals in populaire, satirische nieuwsshows. Stop meer jongeren in het nieuws, laat ze zelf aan het woord. Anderen zijn somberder over het ideaal jongeren meer nieuwsgierig - in de letterlijke betekenis - te maken. De macht van de journalistiek is beperkt. Je kunt je uiterste best doen om een nieuw soort journalistiek voor jonge mensen te bedenken, maar je kunt de trend waarschijnlijk niet stoppen. Kortom: een les in bescheidenheid.

In ons eigen land timmert Irene Costera Meijer stevig aan de weg. Zij probeert bruggen te bouwen tussen twee werelden en zoekt - onder andere voor de NOS en de VPRO - naar nieuwe, originele standaarden voor nieuws, die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. Betaalde kranten en het NOS-journaal, zitten niet meer vanzelfsprekend in ons dagelijks ritme.

Zij roept programmamakers en hoofdredacteuren op tot een serieus debat over de grondslagen van de moderne journalistiek. Durf je eigen waarden en normen ter discussie te stellen, bedenk tevoren welk verhaal je wilt vertellen en hoe je nieuwsfeiten boeiend kunt maken voor de kijker, luisteraar of lezer. Een krant moet lekker zijn, anders lezen jongeren hem niet.

Maar opleuken van nieuws is te gemakkelijk, net als het verjongen van de bestaande kranten. Met echt nieuws moet je niet gaan rommelen. Dat willen jongeren ook niet. Zij willen serieus worden genomen. Onze doelgroep heeft behoefte aan een inspirerend verhaal, niet aan saaie feiten alleen. Wie de ontwikkelingen een beetje volgt, hoeft niet somber te zijn.
In menig redactielokaal is een stille revolutie gaande. Het meest bekende en al goeddeels geslaagde experiment is de nauwe samenwerking tussen het Financieel Dagblad en Business News Radio. Maar ook in andere lokalen wordt driftig geëxperimenteerd. De NOS heeft begin dit jaar, onder de bezielende leiding van Hans Laroes, als een van de eerste grote journalistieke organisaties een geheel geïntegreerde, multimediale nieuwszaal ingericht. Het ‘hooggeëerd publiek’ staat daarin centraal. Ook de Telegraaf is druk in de weer om op multimediaal niveau. De aankoop van Sky Radio verraadt het ambitieniveau van de Telegraaf Media Groep.

De nieuwe tabloideditie in de ochtend, nrc.next, is een gedurfd initiatief om nieuwe lezers, goed opgeleide twintigers, aan de moederkrant te binden. Snel zal blijken of die generatie nog één euro wil betalen voor verrijkt nieuws. Zo ja, dan wordt het kwalitatieve tabloid een geduchte concurrent voor zowel gratis kranten (Metro en Spits) als betaalde kranten in de ochtend.

Ook het project Volkskrant Banen, gericht op een beperkte groep hoogopgeleiden tot 40 jaar, is een spannend avontuur. Dat project is geboren vanuit de overtuiging dat de tijd voorbij is dat je één krant kunt maken voor een doelgroep van 20 tot 80 jaar.

Differentiatie en convergentie: dat zijn de twee sleutelbegrippen om toekomstige ontwikkelingen te kunnen begrijpen en nieuwe strategische keuzen te maken. Als internet op korte termijn alle mediafuncties integreert, zal het mediagebruik nog radicaler veranderen.

De media evolueren in snel tempo, en de functie van de journalistiek verandert in hetzelfde tempo mee. De opkomst van weblogs heeft de spelregels van de traditionele journalistiek op losse schroeven gezet. Bloggers brengen nieuws, vermengd met meningen en opinie. Het idee van hoor en wederhoor is in die wereld iets van voorbije tijden. In de moderne maatschappij wint civic journalism aan terrein.

Het thema van deze dag - mediaconvergentie en burgerjournalistiek - is om verschillende redenen goed gekozen. Volgens de directeur van Reuters, Tom Glocer, moeten in de nieuwsorganisatie professionele journalisten nauw gaan samenwerken met burgerjournalisten en webloggers. Hij noemt drie kerntaken van het moderne mediabedrijf: het produceren van aantrekkelijke inhoud, het publiek in staat stellen om zelf met (al dan niet eigen) informatie aan de slag te gaan en het modereren/filteren van overaanbod op de online-editie.
‘De krant moet een mix worden van professionele en amateur-content’, zei hij onlangs op een congres in Londen.

Als voorbeeld noemde hij de nieuwsvoorziening rond de tsunami-ramp.
De eerste foto’s en beelden kwamen van mensen die toevallig ter plekke waren. Zoals bij de foto van de moord op Theo van Gogh ook gebeurde. Een ander voorbeeld van moderne, zelfbewuste journalistiek was de berichtgeving vorig najaar over de orkaan Katrina in New Orleans. Professionele journalisten schakelden weblogs, webcams en mobiele telefoons van burgers in om hun berichten te maken.

Deze derde weg, waarbij weblogs de rol van journalisten niet overnemen, maar juist versterken, kon wel eens het antwoord zijn op het dilemma van veel nieuwsmedia: óf je kiest voor je eigen, elitaire koers, óf je laat je volledig leiden door je lezers, luisteraars en kijkers.
In het eerste geval raak je steeds meer lezers kwijt en verdwijnt het medium, in het tweede geval kies je voor de publieksgerichte aanpak en verspeel je eventueel je betrouwbaarheid. Volgens Glocer zoeken mensen altijd serieuze journalistieke merken, omdat ze willen weten of een nieuwsverhaal deugt of niet.

De Nederlandse mediaonderzoeker Mark Deuze is er minder gerust op. Hij verwacht dat journalisten (‘zombies’) overbodig worden, omdat ‘de burger zelf wel uitmaakt hoe hij aan zijn informatie komt’. En of die informatie geloofwaardig is of niet, dat interesseert jongeren niet. ‘Mensen geloven niet meer in de expert die hun vertelt hoe alles zit.’ Zo'n ontwikkeling doet zich ook voor aan hogescholen en universiteiten, waar colleges slecht worden bezocht, omdat studenten het thuis zelf uitzoeken op internet en in hun persoonlijke, virtuele netwerken.

Op veel plaatsen in Nederland doet de burgerjournalistiek voorzichtig haar intrede. Dat is bemoedigend en leerzaam. De Twentse krant Tubantia experimenteert sinds het begin van dit jaar met de website ‘Dorpsplein Haaksbergen’. Een soort nieuwe dorpspomp. Hierop en in de regio-editie Haaksbergen komen verhalen van burgers te staan, samen met de artikelen van de Tubantia-journalisten.

Volgens directeur Gerard Driehuis ontstaat zo vanzelf een nieuw bondgenootschap tussen burger en journalist. Dagelijks komen er weblogs bij. Tubantia en andere kranten, zoals het Dagblad van het Noorden, hebben zich laten inspireren door het
Zuid-Koreaanse OhmyNews, waaraan sinds 2000 zo’n veertigduizend burgerjournalisten zijn verbonden. Het doel van al deze experimenten is te ontdekken wat burgers belangrijk vinden en zo uit te vinden hoe je dichter bij hun belevingswereld komt.

Wie al deze ontwikkelingen - en nog veel onvermelde - signaleert, kan zich alleen maar hebben geërgerd aan de ongezouten kritiek van Peter Vandermeersch, oud-hoofdredacteur van De Standaard. In zijn Machiavelli-lezing 2005 (gehouden op 22 november 2005 in Den Haag) hield hij zijn Nederlandse collega’s een spiegel voor. Hij verweet ons terecht dat wij - uitgevers en journalisten - te laat in actie zijn gekomen en pas recent uit een diepe winterslaap zijn wakker geschud.

Maar als hij ons vergelijkt met de tyrannosaurus uit de film Jurassic Park en ons 'de meest conservatieve bolwerken ter wereld' noemt, 'waar journalistieke onafhankelijkheid wordt geïnterpreteerd als: ik doe wat ik wil', slaat hij door. Die kritiek is erg gemakkelijk en onterecht. Zijn blik op ons is gelukkig achterhaald.

Nederland klampt goed aan bij internationale ontwikkelingen. De richting is glashelder.
Wie de digitale storm negeert, overleeft niet. Een omslag in denken en doen is vereist. Een redactie die alleen vasthoudt aan papier, is ten dode opgeschreven. Journalisten moeten bereid zijn alle media te bedienen, van televisie tot spelletjesmachines.

Onlangs las de hoofdredacteur van de Europese Wall Street Journal,
Raju Narisetti, zijn collega’s in Athene tijdens een congres van de World Association of Newspapers de les: 'Als je jezelf ziet als iemand die slechts voor een krant werkt, dan ziet de toekomst er niet zo best uit. Maar als je jezelf ziet als iemand die omgaat met informatie, die selecteert, verdiept en inzicht verschaft, dan ligt er een grote toekomst open.'

Daarmee raakte hij de kern. Journalisten, redacties, moeten zich aanpassen aan de digitale ontwikkelingen en informatie gaan aanleveren voor allerlei soorten informatiedragers.
Hun uitgevers en omroepbazen moeten dan wél investeren in multimediale ontwikkelingen; ook nu het financieel slecht gaat. Ze moeten gezamenlijk op pad om geld te verdienen met internet, radio en televisie.

Het feit dat de bestaande scheidslijnen tussen televisie, radio, internet en de gedrukte pers wegvallen, is eerder een kans dan een bedreiging. Het is een kans traditionele mediabedrijven om te vormen tot moderne multimediabedrijven. Als staatssecretaris Medy van der Laan eindelijk doet wat ze heeft beloofd, dan verdwijnen binnenkort enkele wettelijke belemmeringen.

Wim van de Donk, voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en auteur van het vorig jaar verschenen en spraakmakende rapport Focus op functies, spreekt zelfs van een paradigmawisseling: It is the content, stupid! Hij somt een aantal fundamentele veranderingen op: van gesloten naar open media, van passieve naar actieve mediaconsumptie (burgerjournalistiek), van massamedia naar personal media, en van segregatie naar integratie en convergentie van redacties.

Dit zijn nieuwe realiteiten in het medialandschap, zegt Van de Donk. Die leiden ertoe dat we onze journalistieke en publieke waarden en normen, zoals betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en verantwoordelijkheid, grondig zullen moeten herijken.

Hij is niet pessimistisch. Naar zijn waarneming wordt door de beroepsgroep goed geanticipeerd op de uitdagingen van de digitalisering. Uit welbegrepen eigenbelang hebben journalisten over het algemeen een gezonde neiging om bij te leren. Hij roept op tot een verdere institutionalisering van onze professie, juist in een tijd waarin professionele normen en waarden dreigen te verdampen. Dat vraagt om een intelligente tegenreactie. ‘Het gezag en de waardigheid van de journalist, vraagt om een zekere vorm van herkenbaarheid’, was zijn boodschap aan pas afgestudeerde collega’s in Tilburg.

Waar moeten we naartoe? Het boek van Leon de Wolff (De krant was koning) met daarin een pleidooi voor publieksgerichte journalistiek heeft een ware waterscheiding in onze beroepsgroep teweeggebracht. Je bent vóór of tegen zijn radicale receptuur. Sterker, wie zijn dwingende adviezen niet volgt, behoort tot de oude school van collega’s die hun eigen agenda volgen en zich niet afvragen wat lezers of kijkers beroeren. ‘Lezers’, zegt De Wolff, ‘willen een krant die gaat over de dingen die dichtbij zijn. Dichtbij hun belevingswereld, passend binnen hun referentiekaders.’ Wie de lezers en kijkers links laat liggen, moet niet vreemd opkijken dat ze bij bosjes weglopen en massaal hun abonnement opzeggen.

Tegenstanders van deze nieuwe school, zoals Bas Heijne, Anil Ramdas en
Jan Blokker, vrezen het einde van de serieuze journalistiek. In hun ogen zijn de kerntaken van de journalist: verifiëren van feiten en controleren van macht. Journalisten wrikken aan invloedrijke bastions en proberen feiten te ontfutselen aan gezagdragers die ze onder de pet willen houden. Journalistiek is een permanente vorm van oorlog.

Zij vrezen dat die maatschappijkritische functie wordt ondermijnd en de journalistieke onafhankelijkheid in het geding komt, nu uitgevers en hoofdredacteuren onder grote druk staan vanwege de economische ontwikkelingen. Fusies, minder advertenties en minder lezers leiden tot paniek in de krantenwereld. Dat proces holt het journalistieke vak uit.


Als ik de discussie overzie, vind ik dat snel met modder wordt gegooid en de nuance soms ver te zoeken is. Het pleidooi van De Wolff is simpel en to the point: schrijf om gelezen te worden. Dat is wat anders dan: u vraagt, wij draaien. Consumenten dicteren niet wat journalisten moeten schrijven, maar journalisten moeten zich wel willen inleven in hun wereld.

De Wolff had een hoop kritiek kunnen voorkomen als hij niet het onderscheid had gemaakt tussen oude en nieuwe school, maar tussen goede en slechte journalistiek. Nu maakt hij zich onnodig kwetsbaar voor het verwijt dat hij journalisten vooral ziet als makelaars in informatie en als gemankeerde marktonderzoekers (Ramdas), en niet als controleurs van macht, als onthullers. Gratis kranten als Metro en Spits zijn in de ogen van zijn critici geen lichtende voorbeelden, maar succesvolle distributieconcepten. Maar misschien brengen het vernieuwde Algemeen Dagblad en straks de nieuwe Wegener-tabloidkrant in de regio - kranten die hij adviseert - zijn inzichten op een aansprekende en inspirerende manier in de praktijk.

Laat ik u niet al te somber stemmen en te rade gaan bij de nestor van de Nederlandse journalistiek, Harry Lockefeer. Hij nam op 30 maart - na een rijk leven als journalist en hoofdredacteur van de Volkskrant - afscheid als hoogleraar journalistiek in Groningen met de volgende hartenwens. Laten we niet al te nerveus reageren op de oplagedaling en laten we blijven geloven in de functie en de kracht van het medium. 'Er komt stellig een nieuw evenwicht, waarschijnlijk op een lager niveau. Dan is de goed gemaakte krant misschien niet meer een echt massamedium, maar onverminderd relevant voor onze democratie, en een sterke pijler onder het gehele mediabestel.’



Dames en Heren,

Staat u mij toe, bij het scheiden van de markt, nog even kort terug te blikken op de voorbije acht jaar. Laat ik er geen doekjes om winden: het was niet altijd eenvoudig te laveren tussen de belangen van De Telegraaf aan de ene kant en de regionale bladen aan de andere kant. Om maar te zwijgen van de lastige klippen die steeds weer opdoken tussen mijn eigen krant, de Volkskrant en onze eeuwige concurrent NRC Handelsblad.

Een voorzitter dient boven de partijen te staan, maar zo werd dat - helaas - niet altijd ervaren. Hopelijk keert de NRC na mijn vertrek terug in het Genootschap.

En dan de jaarlijkse speeches. Een korte zedenschets. In het begin mocht ik mijn gang gaan. Er was altijd wel kritiek van bestuursleden die vonden dat ik te weinig aandacht had gegeven aan een bepaalde omroep of tijdschrift of krant, maar na een aantal jaren kreeg ik het vriendelijke verzoek de collega’s in de gelegenheid te stellen van te voren mee te lezen. Het aloude spreekwoord luidt: zoals de waard is... Maar het werkte zó goed dat ik ook in het najaar de stand van zaken mocht becommentariëren. Dat is er niet echt van gekomen. In mijn jaarredes heb ik steeds getracht belangrijke ontwikkelingen, positief en negatief, te schetsen en gezamenlijke ervaringen te benoemen. In de hoop dat het wat stoffige beeld van het Genootschap van een club sigaren rokende mannen werd omgevormd naar een vitale beroepsvereniging die weet hoe de vlag erbij staat.

Met veel voldoening heb ik het initiatief genomen tot het zogeheten Nijenrode-beraad, waarin de hele beroepsgroep sprak over de kwaliteit van de opleidingen en de stageplaatsen. Het verheugt me zeer dat volgende week een derde Nijenrode-beraad, dit keer onder leiding van Harry Lockefeer, wordt gehouden.
Ook de totstandkoming van het nieuwe loongebouw voor dagbladjournalisten – na jarenlang getouwtrek tussen NDP en NVJ – stemt tot tevredenheid. Hoofdredacties kunnen nu meer – op maat – belonen en betere objectieve maatstaven aanleggen voor een marktconform beloningsbeleid.

Het hoogtepunt voor mij was de viering van ons veertigjarig jubileum in november 1999, in aanwezigheid van koningin Beatrix. Een unieke samenkomst, niet in de laatste plaats vanwege de opmerking van Beatrix na afloop dat ‘de leugen regeert’ in Nederland. Geen misse uitspraak voor de anders zo zwijgzame Oranjes. En het meest bizarre was wel dat er geen opname van bestaat: geen camera’s en geen radio. Heel journalistiek Nederland was aanwezig, maar we waren vergeten de pers uit te nodigen! Het tumult was er overigens niet minder om. De toon was gezet en de naamsbekendheid van ons gezelschap ging met vele procentpunten omhoog. Dat was een enorme opsteker en motiveerde om er een tandje bij te zetten.

Aan de meeste van onze vele Nieuwspoort-lunches bewaar ik de beste herinneringen. Het moest gek lopen als er geen hard nieuws uitkwam.
Zoals een van de laatste keren met de inmiddels gevleugelde uitspraak van Alexander Pechtold: ‘Het probleem van Den Haag is Den Haag zelf.’
Dat was de opmaat voor zijn latere uitval tegenover Cisca Dresselhuijs in Opzij. Mijn advies: ga hiermee door. Daardoor zetten we ons als vereniging op de journalistieke agenda. En als er dan eens een keer wat minder collega’s op af komen, laat je niet ontmoedigen.

Het meeste werk heb ik al die jaren echter gemaakt van het leerstuk hoe we als beroepsgroep vaker verantwoording kunnen afleggen. Daarover sprak ik al in april 1999, toen ik mijn eerste jaarrede hield over de vertrouwenscrisis in de media.
Over nut en noodzaak van het instellen van een onafhankelijke ombudsman, over de onmisbaarheid van een deugdelijke, dagelijkse rectificatierubriek. De moord op Pim Fortuyn in 2002 stortte de media in een soort existentiële crisis. Van alle kanten kregen we klappen: onze beroepshouding deugde niet, we zijn bevooroordeeld en gemakzuchtig. Kortom, weg met de media.

Ik kom nog één keer terug op de analyse van Wim van de Donk. In zijn ogen reageert de journalistiek, meer dan de politiek dat doet, behoorlijk adequaat op de kritische houding jegens de pers in de afgelopen jaren. We zijn meer dan ooit bereid tot zelfkritiek, zonder dwang, maar omdat we er allemaal beter van worden. Femke Halsema pleitte onlangs voor smart politics. In navolging daarvan pleit ik voor smart journalistics: kwetsbaar durven zijn en af en toe zeggen dat je het ook niet precies weet.

Dat is allemaal veel effectiever dan hameren op nieuwe en strengere gedragscodes, zoals de kersverse PvdA voorzitter Michiel van Hulten twee maanden terug deed of pleiten voor externe toetsing, zoals oud vice-premier Thom de Graaf in januari tijdens de KIM-lezing deed. Dat zijn de verkeerde remedies met zeer kwalijke gevolgen.

Media vormen in een democratie een noodzakelijke tegenmacht: journalisten controleren regering en kamer. Om met Ed van Thijn te spreken: mediabashing is even verwerpelijk als antiparlementarisme.

En áls de pers een te kort lontje heeft, wat regelmatig voorkomt, dan zie ik meer heil in het introduceren van het Zweedse model. In Zweden bestaat sinds jaar en dag (begin vorige eeuw) een opinieraad voor de pers en een persombudsman, op het niveau van de gehele bedrijfstak.
Beide instellingen toetsen klachten van burgers aan ethische regels - dus geen juridische toetsing - voor pers, radio en televisie. Het doel is dat individuele personen worden beschermd tegen onverdiend lijden ten gevolge van negatieve publiciteit. De ombudsman signaleert in een gezamenlijk jaarverslag bepaalde trends en wakkert publieke discussie aan over zelfsanering van de pers.

En over acht of tien jaar? Hoe staan we er dan voor?

De publieke omroep bestaat nog steeds, maar wel in afgeslankte vorm.
Het fenomeen krant zal niet gauw verdwijnen. Er gaat tenslotte niets boven het lekker lezen van een krant op het moment dat het je uitkomt. ‘Lekker even een moment voor jezelf’, zegt Costera Meijer, ‘zoals Cup a Soup dat gevoel weet op te wekken.’

Maar krantenpapier raakt wel uit de mode, voorzie ik. Het is duur, de verspreiding ervan is erg kostbaar en het nieuws is vaak achterhaald. Elektronisch papier kan al deze handicaps opheffen. De krant van de toekomst, ter grootte van een half A4’tje, is elektronisch. De Belgische zakenkrant De Tijd heeft in Europa de primeur en houdt deze maanden een test onder tweehonderd abonnees. Voorlopig zal de e-paper nog een aanvulling zijn op de papieren krant, maar op termijn zal hij op het werk, in de trein, tijdens vakanties de rol van de klassieke krant overnemen. Over tien jaar zullen wij weten wat die boude voorspelling waard is gebleken.

De krant van de toekomst is een merk. Een eigenzinnige, serieuze pers is een pers die orde schept in de chaos. Dat kan op papier, gratis, maar dat hoeft niet. Gedrukt papier is niet onze core business, ordening aanbrengen wel. We moeten allemaal op zoek naar een nieuwe identiteit en onszelf opnieuw uitvinden.
We moeten het gat dichten, de krater, tussen de wereld van het nieuws in kranten en op radio en televisie, en de wereld van de lezers, kijkers en luisteraars.

De toekomst is aan kranten die een duidelijke meerwaarde bieden, schreef
Yves Desmet, hoofdredacteur van De Morgen, laatst in De Journalist.
Beter geschreven, intelligente duiding, de beste interviews en reportages over thema’s die hun publiek bovenmatig interesseren. Die opdracht geldt evenzeer voor de publieke en commerciële omroepen. We hebben nog een wereld te verliezen. In Nederland vertrouwt 95 procent de informatie die ze in kranten lezen. In Amerika is dat nog maar krap 10 procent.

Geliefde collega’s,

Ik wil afronden met een hartenkreet. ‘Hou de boel bij elkaar; sterker, bréng de boel nog dichter bij elkaar’, wil ik in navolging van de door mij zeer gewaardeerde Amsterdamse burgemeester Job Cohen zeggen.

Mijn voorganger en vriend, Rimmer Mulder, bracht eind vorige eeuw onze collega’s van de radio en televisie aan boord. Dat getuigde van visie en daar was moed voor nodig. En het is heel goed werkbaar gebleken. Mede dankzij die geslaagde integratie staat het Genootschap meer dan ooit op de kaart.
Wij doen ertoe, er wordt om onze mening gevraagd, we zijn een factor in het ruige medialandschap geworden. Dat is winst en geeft voldoening.

Maar die positie raken we onverhoeds weer kwijt, als we elkaar het hok uit vechten. Dat gevaar ligt altijd op de loer. De onderlinge concurrentie neemt toe, de winst van de een is het verlies van de ander en hoofdredacteuren dreigen elkaars vijanden te worden.
Dan komt het er juist op aan dat we elkaar vasthouden, dat we elkaar informeren over cruciale ontwikkelingen, dat we perspectieven blijven schilderen en dat we elkaar bemoedigen en hoop geven. Het Genootschap biedt daarvoor het beste kader.

Ik zie kansen volop. Zeker nu we - dankzij technologische ontwikkelingen, dankzij de digitale storm die over ons heen komt - meer met elkaar moeten samenwerken om ons hoofd boven water te houden. Maar ook om beter in te spelen op veranderend lees-, kijk, en luistergedrag onder de consumenten.

Niet in de laatste plaats is nauwere samenwerking nodig vanwege het uitdagende idee van Frits van Exter om jaarlijks een groots en meeslepend mediagala te organiseren. Daardoor krijgen we de kans onze beroepsgroep elk jaar in het zonnetje te zetten en onze beste collega’s te louteren. Het Genootschap kan en moet in de organisatie van dat gala de komende jaren een enthousiasmerende rol spelen.

Als we op tijd wissels omzetten, is er geen reden tot wanhoop. Dat is in de kern van de zaak mijn boodschap. Daarom ben ik ook erg verheugd dat mijn geliefde ex-collega van de krant, mijn zeer gewaardeerde collega-hoofdredacteur van Elsevier en mijn beste vriend Arendo Joustra bereid is die lastige klus voort te zetten. Ik heb het een aantal jaren geprobeerd, met wisselend resultaat.
Ik weet zeker dat Arendo in staat is een nieuwe impuls te geven aan ons gezelschap. Omdat hij als geen ander de gave heeft mensen te stimuleren en gevoel heeft voor continuïteit en veranderingsgezindheid van een organisatie als de onze.

Ik bedank jullie voor jullie steun en het vertrouwen in mij al die jaren. Ik verontschuldig me als ik in de ogen van sommigen niet altijd in de geest van de vereniging handelde. Maar weest ervan overtuigd dat ik het als een enorme eer heb gevoeld jullie voorzitter te mogen zijn. Ik hoop nog vele jaren lid, buitenlid of ex-lid, te mogen blijven.

Het ga jullie allen goed!

Pieter Broertjes
Amsterdam, april 2006


Geraadpleegde bronnen:

  • David Mindich (2005). Tuned Out. Why Americans under 40 don’t follow the news. Oxford University Press. New York.
  • Wim van de Donk (2005). Katrina in het nieuws. Over digitale stormen en andere kwesties die de journalistiek in het hart raken. Toespraak op de Tilburgse Academie voor Journalistiek.
  • Leon de Wolff (2005). De krant was koning. Publieksgerichte journalistiek en de toekomst van de media. Bert Bakker, Amsterdam.
  • Anil Ramdas (2006). Lezer is klant noch koning; Over de paniek in de Nederlandse krantenwereld. KIM-essay 2006.
  • Irene Costera Meijer (2006). De toekomst van het nieuws. Otto Cramwinckel Uitgever.
  • Thom de Graaf en Pieter Broertjes (2006). Politiek en Mediamacht; Wie neemt ons de maat? KIM-college 2006.
  • Femke Halsema (2006), Media en Politiek: liever broederschap dan autoritarisme. Lezing voor de Stichting Democratie en Media bij het afscheid van Ed van Thijn als bestuurslid.
  • Harry Lockefeer (2006), De krant in perspectief. Afscheidscollege Universiteit van Groningen.

Redevoeringen

Alle redevoeringen

Contact

Indien u vragen heeft kunt u zich wenden tot het secretariaat van het Genootschap.
Contact



© Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren
Design & technische realisatie: Nico van Veenendaal