Jaarrede 2007

Jaarrede van Arendo Joustra, voorzitter Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, uitgesproken op vrijdag 13 april 2007 tijdens de 48ste jaarvergadering in Rotterdam.

Vrienden, collega’s,

Ik weet niet of u vorige week op het Feest voor de Journalistiek was, maar wees niet bang, ik zal Voltaire en Chomsky niet citeren.

Wat niet wegneemt, dat niet vaak genoeg kan worden gewezen op de onmisbare rol die de media in de maatschappij spelen. Het is zoals onze nestor Rimmer Mulder me vorig jaar voorhield op onze geslaagde jaarvergadering in Groningen. Hij zei: ‘We moeten wat minder defensief zijn. In plaats van verantwoording af te leggen en je te verdedigen, heeft het vaak meer zin om uit te leggen hoe de journalistiek werkt.’

Het afgelopen jaar was dit advies van Rimmer mijn leidraad. Ik kom daar aan het slot nog op terug.


Vrienden, collega’s,

Tussen Groningen, toen, en Rotterdam nu, is een hoop gebeurd. Het was een hectisch jaar. Voor ons, als leden van hoofdredacties. En voor de media.

Eerst maar onszelf.
De tijd is voorbij dat we slechts leiding geven aan één programma, krant of blad. Behalve de hoofdtitel - de moederkrant, het voornaamste bulletin - maken we allerlei nevenproducten: extra bulletins, bijlagen, speciale edities, heel nieuwe kranten zelfs.

Dan heb je ook nog onze websites, die steeds sneller groeien in aantal pagina’s.

En dan zijn velen van ons bovendien nog in de weer met het digitaliseren van oud materiaal.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar vroeger kon ik nog alles lezen wat in mijn eigen blad verscheen. Maar tegenwoordig is alles lezen al lang niet meer mogelijk.
Voor u zal het niet veel anders zijn. Dat komt niet alleen door de enorme productie op de websites. Maar ook door al die extra uitgaven en bulletins. Zeventig uur nieuws per week, zendt RTL inmiddels uit, meldt anchorman Rick Nieman in zijn afgelopen woensdag gepresenteerde boek Is er nog nieuws? Dezelfde verveelvoudiging is er bij het NOS Journaal, dat onlangs bovendien een bulletin voor jongeren begon.

Al deze extra uitgaven en uitzendingen leggen een zware druk op hoofdredacties, die immers verantwoordelijk zijn voor alles wat wordt uitgezonden, gedrukt, en digitaal verspreid. Het vraagt om strenge interne regels. Maar het leidt ook tot enige vervreemding: hoe kun je een medewerker een compliment maken, als je niet alles meer ziet?

Daarbij komt dat we te maken hebben met nieuwe concurrenten en technieken die voorheen niet bestonden. Ik noem slechts Google en de invloed die Search Engine Optimalisation kan hebben op de wijze waarop webredacteuren journalistiek bedrijven.
We hadden de mensen van Google Nederland uitgenodigd om vanmiddag iets te vertellen over hun bedrijf en hun nieuwste plannen, maar ze hebben vandaag een eigen bijeenkomst. Hun presentatie is verschoven naar een lunch in Nieuwspoort op donderdag 21 juni.

Al deze extra activiteiten hebben ons werk lastiger gemaakt, in elk geval drukker. Onze voorgangers, denk ik wel eens, hadden een overzichtelijker leven.

Maar er is geen enkele reden om klagelijk te doen. Het is heerlijk om leiding te mogen geven in een - als het gaat om informatievoorziening - revolutionaire tijd. Redacties en directies kijken voor een belangrijk deel naar ons voor oplossingen. Het aardige van bijeenkomsten van het Genootschap is, dat je daar vaak leert over nieuwe mogelijkheden én dat je ervaringen kunt uitwisselen.

Nogal wat hoofdredacteuren hebben de afgelopen tijd hun werkzaamheden neergelegd:

  • Andreas Oosthoek
  • Fred Bakker
  • Folkert Jensma
  • Johan Olde Kalter
  • Michiel Bicker Caarten
  • Henk Dam
  • Jos Campman
  • Pieter van Twisk
  • Jort Kelder
  • Rob de Spa
  • Frits van Exter
  • Tony van der Meulen.

En dat zijn ze nog niet eens allemaal.

Gelukkig staan velen klaar om de vrijgevallen posities te betrekken. Hoewel het hier en daar, blijkbaar, toch ook enige moeite kost. Het is immers een zware functie geworden. Niet langer geldt wat Jimmy Huizinga, in de jaren zeventig van de vorige eeuw reisredacteur bij de NRC, placht te zeggen: Als je in de Nederlandse journalistiek niet plat praat, word je uiteindelijk hoofdredacteur.

En gelukkig is het steeds vaker een functie die ook openstaat, en terecht, voor vrouwen. Ik noem Birgit Donker bij NRC en Annemieke Besseling bij het Brabants Dagblad.


***

Het was niet alleen een hectisch jaar voor leden van hoofdredacties maar ook voor de media zelf.

Ik denk dan in de allereerste plaats aan de gijzeling van de twee Telegraafjournalisten Joost de Haas en Bart Mos, die vorige week dinsdag zijn beloond met een Tegel voor het beste nieuwsverhaal in de gedrukte media.
Hun gijzeling heeft, ook in eigen gelederen, de discussie weer losgemaakt over het verschoningsrecht. Met de Nederlandse Vereniging van Journalisten praat het Genootschap met Kamerleden om, in navolging van België, het verschoningsrecht in een wet te regelen.

Er moet nog veel over gesproken en nagedacht worden, want zo’n wet vraagt om een precieze omschrijving wie of wat een journalist is. Bovendien bestaat de kans dat zo’n wet minder ruimte laat dan de bestaande jurisprudentie van het Hof in Straatsburg.
Maar of de wet er nu komt of niet, het moet voor iedereen die professioneel betrokken is bij opsporing en vervolging duidelijk zijn dan het gijzelen van journalisten geen enkele zin heeft!

Hectisch was het ook door alle perikelen bij de PCM, waar redacties terecht boos zijn over de afgelopen periode. Hoewel naar mijn smaak iets te veel de schuld is gelegd bij de Angelsaksische rovers en te weinig licht valt op degenen die het bedrijf aan de Britten hebben uitgeleverd.
Je kunt niet generaliseren. Een op winst gericht bedrijf is niet per definitie een slechte omgeving voor een journalistiek medium, zoals een ondernemer met ideële doelstellingen niet per definitie een goede uitgever of omroep is.

Laat nog maar eens gezegd zijn dat het Genootschap zich verre houdt van de wijzen waarop de media van de aangesloten leden worden gefinancierd. Alle vormen zijn ons even lief. Er zijn geen A en B-leden.

Maar wie ook aan de geldkraan zit, een beursgenoteerde onderneming, een particuliere geldschieter of een overheid, we vragen wel enige professionaliteit en voorspelbaarheid in gedrag. Je kunt als hoofdredactie geen begroting maken en een betrouwbaar personeelsbeleid voeren als de financier zich grillig gedraagt. Daarom zijn we ook verheugd dat de publieke omroep is verlost van de onzekerheid over de financiering door het vorige kabinet.

Grillig ging het er zeker aan toe bij PCM. De mogelijke fusie van PCM met de Noordelijke Dagblad Combinatie is uiteraard geheel hun eigen zaak. Maar het is te hopen dat deze fusie niet ten koste gaat van de financiële en journalistieke onafhankelijkheid en vrijheid van de afzonderlijke kranten.

Welke financier we ook hebben, er is een grens aan het bezuinigen op de redacties, aan het bezuinigen op de journalistieke kwaliteit. Bij veel van onze leden is die grens inmiddels bereikt. Het slopen van een goed product levert op de korte termijn misschien wat snel geld op, maar ondergraaft de mogelijkheid ook op lange termijn nog geld te verdienen. De discussie op de Jaarvergadering in Groningen gaf goed aan hoe belangrijk kwaliteit is om journalistiek te overleven in een wereld waarin veel ‘gratis’ lijkt.


De media wisten zich ook het afgelopen jaar weer als onderwerp van critici. Dit keer zouden ze bijdragen aan familiedrama’s, een nogal eufemistische term voor ouders die hun kinderen en elkaar om het leven brengen. De actuele berichtgeving zou tot kopieergedrag leiden, een stelling die door geen enkel wetenschappelijk onderzoek wordt onderbouwd. Met even veel recht kan worden beweerd dat de berichtgeving nieuwe drama’s voorkomt omdat de problemen in een gezin door berichtgeving over gelijksoortige gevallen tijdig door familieleden en hulpverleners kunnen worden herkend.
Iedere burger kiest de eigen wijze waarop hij of zij wil worden geïnformeerd over deze moorden, die overigens, en gelukkig maar, zeer zelden voorkomen, de afgelopen twee decennia gaat het om gemiddeld twee gevallen per jaar.
Uiteraard moet de berichtgeving zorgvuldig zijn, maar dat geldt voor alle berichtgeving.
Discussie op redacties over deze berichtgeving is prima, en naar mijn waarneming vinden die ook voortdurend plaats. In elk geval is zo’n debat in eigen kring, op de werkvloer, beter dan een externe code of richtlijn, waardoor het denken en de discussie stopt.

***

Los van de gemaakte kanttekeningen, kunnen we tamelijk positief zijn over het afgelopen jaar. Alles lijkt in beweging en dat zorgt voor een hoop creativiteit.

Er verschijnen weer nieuwe kranten. Na nrc.next arriveerde De Pers en nog dit jaar komt ook De Dag.
Ondanks alle sombere berichten over de oplages, de verspreide oplage van de dagbladen ligt door al die nieuwe kranten fors boven op gezamenlijke oplage in peiljaar 1999. Hier en daar stijgen ook de betaalde oplages weer.
Ook de opiniepers is in beweging met de lancering van Opinio. Bovendien verschijnen elk jaar weer tientallen nieuwe tijdschriften.
De NOS is eerder dit jaar begonnen met een groot aantal digitale kanalen.
Op internet zijn de nieuwe initiatieven nauwelijks meer bij te houden. Het lijkt soms wel of heel Nederland zich in discussies op internet mengt.


Positief is ook dat de Raad voor de Journalistiek later deze maand met een Leidraad komt. Zodat in elk geval duidelijk is aan welke maatstaven de Raad voor de Journalistiek uitingen van de media toetst.
Let op, het is een leidraad, geen code.

Onze eigen code dateert al weer van 1995. Ik denk dat er nog nauwelijks leden zijn die bij de totstandkoming van die code betrokken waren. De code dateert bovendien van vóór het internettijdperk. Er is daarom alle reden om de code tegen het licht te houden. Zo lijkt het erop dat de privacy van slachtoffers minder beschermd wordt dan van de daders. Ik hoor graag van u of we een discussie moeten aangaan over een nieuwe code, of dat we gemakshalve de leidraad van de Raad voor de Journalistiek overnemen. Zelf vind ik enige modernisering wel op zijn plaats. Uw bestuur komt graag met een voorstel.

Behalve een Raad voor de Journalistiek hebben we, dit jaar voor het eerst, nu ook het Feest voor de Journalistiek. Dat het feest er kwam, is allereerst te danken aan Frits van Exter, die het twee jaar geleden voorstelde tijdens onze Jaarvergadering in Den Haag. Daarna heeft mijn voorganger Pieter Broertjes snel geschakeld in het clubje oprichters en waren vervolgens Henny Engberts en Harm Taselaar en uiteraard Frits zelf actief in het Stichtingsbestuur. Veel dank voor jullie inspanningen.

Zoals we zojuist hebben gehoord kan er hier en daar nog wel iets aan het feest worden verbeterd, maar het is fantastisch dat journalisten van verschillende media - televisie, radio, dagbladen, tijdschriften, internet - gezamenlijk bijeenkomen. Dat is nog niet eerder vertoond.
Ja, het feest concurreert met onze eigen Jaardag, maar dat moeten we zelf oplossen.

Minder positief is dat in het coalitieakkoord het ‘mediabeleid’ als vanouds weer verengd is tot beleid voor de publieke omroep, alsof er geen andere media bestaan. Dit is uiteraard een verwijt aan de politiek, niet aan de publieke omroep.
Je kunt natuurlijk redeneren dat het maar goed is dat politici zich niet met de media bemoeien. Maar het blijft vreemd en het is teleurstellend dat met geen woord wordt gesproken over de ingediende wensen om de mediaondernemingen financieel gezond te houden en zo de pluriformiteit te dienen. Ik denk aan:
meer ruimte voor cross ownership
een laag btw-tarief
minder belemmeringen voor de bezorging, zoals boetes die de Arbeidsinspectie oplegt aan distributiebedrijven
geen betuttelende regelgeving als het gaat om vooruit betaalde abonnementen.

Mogelijk zal minister Ronald Plasterk straks alsnog ontvouwen wat niet in het coalitieakkoord staat. Het is in elk geval positief dat het mediabeleid in handen is van een minister, bovendien een minister die zelf als columnist bij media heeft gewerkt.

***

Ik had u nog beloofd even terug te komen op de opmerking van Rimmer Mulder dat we niet zo in het defensief moeten zitten. Hij heeft natuurlijk helemaal gelijk. Want wat zou onze samenleving voorstellen zonder media?
Journalisten zijn de laatste generalisten in een maatschappij die van werkvloer tot vrije tijd is gespecialiseerd. De meeste burgers hebben slechts contacten binnen hun eigen kring. Het zijn journalisten, het zijn de media, die de verbindingen tot stand brengen tussen al die gespecialiseerde groepen. Tussen burger en politiek, tussen sport en supporters, tussen buitenland en binnenland, tussen producent en consument, tussen autochtoon en allochtoon, tussen staatshoofd en onderdaan.
Het zijn een beetje grote woorden, maar als geconstateerd wordt dat de samenleving langzaam desintegreert door individualisering, immigratie en ontzuiling, dan zorgen de media, als intermediair, voor het bindmiddel om die samenleving in stand te houden. Daar spelen we allemaal ons rolletje in, de televisie, de radio, de kranten, websites, tijdschriften, huis-aan-huisbladen.

Moeten de media daarom maar heilig worden verklaard? Uiteraard niet. Maar het is een beetje wat Winston Churchill over de democratie zei: geen ideale staatsvorm, maar zolang we niets beters hebben gevonden, zullen we het ermee moeten doen.

Regels van de overheid en externe codes van de Jacques Wallages van deze wereld zijn in elk geval geen oplossing. Ik moet dan zelf altijd denken aan die Afrikaanse dictator, aan wie wordt gevraagd of er in zijn land persvrijheid is.
Ja hoor, antwoordt hij: We have a relatively free press?
En wat bedoelt u daarmee, vraag de verslaggever: Well, that’s a press run by my relatives.


Het is zoals kroonprins Willem-Alexander eind februari in Turkije zei: Zeker 99 procent van de (Nederlandse) journalisten doet zijn werk naar eer en geweten.

Dat we niet alles weten, ligt niet aan ons. We zijn per definitie buitenstaanders, die slechts bij uitzondering worden toegelaten als nieuws in de maak is.
Wat dat betreft: in de journalistiek wordt vaak het versje aangehaald van Eric van der Steen, die over de journalist dichtte:
hij weet het laatste nieuws het eerst en
schreef daar gisteren reeds over.

Maar zijn versje over de glazenwasser is veel toepasselijker op onze rol:
Een spons en lap – en ruiten
Als kruisen in ’t gareel
en Hij blijft altijd buiten
En ziet van binnen veel.

Hij ziet van binnen veel, maar lang niet alles. Dat maakt onze positie soms lastig, maar tegelijk spannend.
Ik wens u en uw redacties het komende jaar veel succes met de berichtgeving over wat u, van buiten af, binnen ziet.


Ik dank u voor uw aandacht.


Bekijk ook de foto's van de Jaardag 2007 en lees de toespraak van Minister Plasterk.

Redevoeringen

Alle redevoeringen

Contact

Indien u vragen heeft kunt u zich wenden tot het secretariaat van het Genootschap.
Contact



© Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren
Design & technische realisatie: Nico van Veenendaal