Jaarrede 2008
Toespraak Arendo Joustra, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, op de Jaardag van het Genootschap in de Statenzaal van het Abdij in Middelburg, vrijdag 18 april 2008, 15.00 uur.Waarde vrienden,
Eerder deze middag heb ik u al gezegd dat het mij bijzonder veel plezier doet dat deze Jaardag in Middelburg, in Zeeland, wordt gehouden. De provincie waar ik ben geboren, naar school ben gegaan en waar ik stage heb gelopen. Uiteraard bij de Provinciale Zeeuwse Courant, onze gastheer dezer dagen, die ik in de persoon van ons lid Peter Jansen nogmaals hartelijk wil danken voor de organisatie van deze Jaardag.
Af en toe krijg je de vraag waarom het Genootschap nodig is. Iedereen kan toch voor zichzelf zorgen. Dat klopt, maar nut en noodzaak van het Genootschap blijken wellicht uit de werkzaamheden van de leden en het bestuur in het afgelopen jaar. Grof gezegd zijn die activiteiten te verdelen in vier aspecten:
- Dienstverlening aan de leden. We hadden informatieve lunches met PvdA-leider Jacques Tichelaar en Marc Duijndam van Google Benelux. Maar ook een Masterclass in Utrecht over de Europese Grondwet. En uiteraard de Jaardag in Rotterdam en de Najaarsvergadering in Amsterdam. Beide met discussie over zaken die ons allen aangaan, zodat eigen opvattingen kunnen worden getoetst en kan worden geleerd van de ervaringen van anderen. In dat verband kan ook het debat over de nieuwe code worden gezien.
- Een lobby richting de overheid en andere organisaties om het werk van journalisten te vergemakkelijken of te verduidelijken. In dat verband zijn er bijvoorbeeld gesprekken geweest met Harm Brouwer, voorzitter van het college van procureurs-generaal; minister Ronald Plasterk van Media; de vereniging van woordvoerders van grote ondernemingen aangesloten bij VNO-NCW; de hoofddirecteur van de RVD. En verder gesprekken met politici en ambtenaren over een mogelijke wettelijke bronbescherming.
- Bevorderen van de kwaliteit van de journalistiek. Door deel te nemen aan de organisatie van de Tegel en het Feest van de Journalistiek. Maar ook door overleg met de opleidingen. Zo is er dinsdagmiddag 20 mei weer een nieuwe Nyenrode-conferentie, niet op Nyenrode, maar in Het Muziekgebouw aan het IJ, waar die avond ook het Feest van de Journalistiek wordt gehouden.
- Opkomen voor de persvrijheid. Door ons te voegen als partij in de rechtszaken tegen De Telegraaf; door samen met de NVJ een Persvrijheidfonds op te richten om principiële zaken financieel te kunnen steunen. Door desgevraagd de media te woord te staan over kwestie die de persvrijheid betreffen. Uiteraard zouden we meer willen, bijvoorbeeld u attenderen op interessante artikelen of jurisprudentie. Maar het Genootschap blijft een vrijwilligersorganisatie met beperkte tijd en middelen. Het is dan ook verheugend om te merken dat steeds meer hoofdredacteuren zich aansluiten. Vooral als ze ook netjes hun contributie betalen, voeg ik daar namens de penningmeester aan toe. Opvallend is dat de functie zo aan het veranderen is, dat die op veel plaatsen niet meer wordt aangeduid met de term ‘hoofdredacteur’.
We hebben nogal wat leden die in Zeeland zijn geboren en getogen. Ook uit Zeeland komt ook Adriaan Viruly, de vlieger en schrijver van boeken als Wij vlogen naar Indië. Hij ging in Middelburg naar de hbs en trouwde in 1955, op 50-jarige leeftijd, met de actrice Mary Dresselhuys. Zo raakte hij bevriend met Wim Kan en Corry Vonk. De cabaretier vertelde ooit de anekdote dat Viruly hem eens had gezegd, en ik citeer: ‘Ik lees veel kranten en tijdschriften, want daar leer je zoveel van. Alleen artikelen over de luchtvaart sla ik over, want daar staan altijd onjuistheden in.’
Dit is een herkenbaar citaat, want wij allen krijgen wel eens kritiek van specialisten als het hun eigen vakgebied betreft, terwijl ze tegelijk onze krant, ons blad, ons programma, onze site prijzen. Daarmee is die kritiek ook een beetje gerelativeerd. Het valt wel mee met het wantrouwen van het publiek jegens de Nederlandse media.
Dit blijkt ook uit onderzoek. Eerder dit jaar verscheen het rapport ‘Onverschilligheid in geen optie. De rechtsstaat maken we samen’. Dit advies aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken is geschreven door de maatschappelijke commissie ‘Uitdragen kernwaarden van de rechtsstaat’, die onder leiding stond professor Wim van de Donk van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
In dat rapport is een mooi staatje opgenomen over het vertrouwen in het rechtssysteem en 14 andere instituties. En wat blijkt? Nederlanders hebben vergeleken met inwoners van de destijds 24 andere lidstaten van de Europese Unie veel vertrouwen in hun rechtssysteem. Je zou het gezien alle perikelen niet verwachten, maar Nederland staat op de vierde plaats.
Echt opvallend is echter dat het vertrouwen in de media bij Nederlanders nog groter is dan het vertrouwen in het rechtssysteem. Zo is het vertouwen in de radio 17 procentpunten hoger, in de televisie 8 procentpunten hoger en in de geschreven pers 4 procentpunten hoger.
De media worden in Nederland dus meer vertrouwd dan het rechtssysteem. De media worden, zo blijkt uit het onderzoek, ook meer vertrouwd dan instituties als de vakbonden, de Verenigde Naties, het parlement, grote ondernemingen, kerken, de Europese Unie, de regering en politieke partijen.
Zelf ben ik niet verbaasd over dat grote vertrouwen bij het publiek. Vergeleken met veel buitenlanden, is de kwaliteit van de media in Nederland hoog. En ze zeggen wel eens dat het vroeger allemaal beter was. Maar ik ben inmiddels oud genoeg om de huidige media met die van vroeger te vergelijken en we presteren echt beter dan onze voorgangers:
- het aanbod van media die voor iedereen toegankelijk zijn, is ruimer
- de interne pluriformiteit per medium is groter
- de journalisten zijn beter opgeleid
- de primaire bronnen zijn voor journalisten makkelijker toegankelijk, zeker sinds de introductie van internet
- de ruimte om informatie te geven is groter
U zult inmiddels begrepen hebben dat ik u vanmiddag graag een hart onder de riem wil steken, voor zover ik daartoe in staat ben. Afgelopen weekeinde heb ik nog eens de toespraken doorgebladerd die mijn voorganger Pieter Broertjes de eerste jaren van dit decennium heeft gehouden. Ze zijn gebundeld onder de titel ‘Media onder vuur’ en die titel is veelzeggend.
Het waren sombere jaren, waarin de media werden bedreigd door een nieuw fenomeen, internet. Waarin politici en adviesraden voortdurend riepen dat de media verantwoording dienen af te leggen. Waarin de politieke onrust een weerslag had op ons eigen werk. Waarin het kabinet programma’s wilde opheffen. En waarin media kampten met een teruglopend publiek en teruglopende inkomsten uit advertenties.
Al deze elementen spelen nog steeds een rol. Maar het aardige van het afgelopen jaar is, dat zichtbaar aan het worden is, dat wij allen, ieder op zijn eigen wijze, erin slagen om deze ontwikkelingen de baas te worden. Waren we in de beginperiode een beetje bevangen door de buitenwereld, tegenwoordig zie je bij alle media veel creativiteit, veel innovatie, veel vernieuwing. We zijn overlevers gebleken.
De somberheid kan plaatsmaken voor enige mate van zelfverzekerdheid of in elk geval optimisme. Er is een grote mate van adaptatie:
- Vechten tegen internet, is het omarmen van internet geworden. De traditionele media hebben snel geleerd en bespelen het world wide web of ze nooit anders hebben gedaan. Dat geldt ook voor radio- en televisieprogramma’s.
- Het teruglopen van het aantal lezers heeft tot vernieuwing van de kranten geleid, niet alleen in vorm en frequentie (tabloid, zondagskrant), maar ook van journalistieke genres. Zonder het met zoveel woorden toe te geven, is de dagbladjournalistiek meer publiekgericht geworden.
- Er komen steeds meer radio- en televisiezenders bij. En dan doel ik niet alleen op Het Gesprek.
- Dagbladen hebben ook meer de niches opgezocht, zodat de verscheidenheid aan dagbladen groter is geworden. Ze lijken minder op elkaar. Zelfs bij de gratis dagbladen zie je dit.
- Door digitale kanalen, RTL Gemist, en Uitzending gemist zijn we minder afhankelijk geworden van het uitzendtijdstip.
- De komst van de gratis dagbladen heeft tot een verhoging geleid van het aantal mensen, jongeren vooral, dat een krant leest en dus een krant normaal gaat vinden, en mogelijk vervolgens, als follow up, verdieping, opinie en achtergrond gaat zoeken bij betaalde media.
- We hebben leren leven met lagere inkomsten, al vraagt het veel van de creativiteit om met steeds minder geld steeds meer te moeten doen als cross media.
- We hebben nieuwe inkomstenbronnen gevonden: zowel advertenties op internet als verkoop van artikelen aan abonnees. Een deel van de winst van PCM komt nu uit de verkoop van boeken, dvd’s en, wie had het ooit gedacht, wijn.
- Het politiek gewoel, de Fortuyn-revolte, heeft ons misschien verrast, maar inmiddels bieden de media de geëmancipeerde burger meer mogelijkheden voor eigen expressie en herkenning. De roep om meer verantwoording en transparantie is ruim beantwoord met:
- correctierubrieken
- hoofdredacteuren die in de eigen krant brieven beantwoorden of over de journalistieke praktijk schrijven
- weblogs van hoofdredacteuren en presentatoren
- ombudsmannen (we komen er vanmiddag nog over te spreken met Ton van Brussel, ombudsman van de NOS)
- onafhankelijk onderzoek van derden naar de eigen berichtgeving
- de discussie over de vernieuwing van onze eigen code kan in dit licht worden gezien
- net als de voorstellen om aan de Raad voor de Journalistiek een voorportaal te bouwen, een ombudsman, voor een snellere afhandeling van klachten.
- Ook aan burgerjournalisten zijn we gewend geraakt. Ze zijn een blessing in disguise gebleken, want de meesten tonen eigenlijk aan dat journalistiek een vak is dat grote kennis en vaardigheid vereist. Ja, iedereen heeft vrijheid van meningsuiting en mag zich journalist noemen. Maar publiek dat een betrouwbare bron zoekt, komt uiteindelijk weer terug bij media die hun feiten checken, die een deugdelijke selectie maken, die opiniëren met argumenten. Kwaliteit loont.
De resultaten van deze grootscheepse adaptatie beginnen zichtbaar te worden.
- De oplagedalingen lijken gestuit en de eerste oplagestijgingen worden weer waargenomen. Ruim zeven op de tien Nederlanders leest dagelijks een krant.
- Adverteerders krijgen weer oog voor de voordelen van gedrukte media. Als je personeel zoekt, is internet een te beperkt medium, omdat op banensites alleen mensen komen die een baan zoeken. Terwijl je als werkgever ook graag mensen wilt bereiken die niet ‘zoeken’, maar toch zeer geschikt zijn. Die bereik je niet via een banensite, maar wel via een advertentie in krant of tijdschrift.
Alle reden voor optimisme dus.
Maar één onzekerheid blijft en die betreft de eigendomsverhoudingen in de media. Twee factoren spelen daarbij een rol: concentratie van het eigendom en eigendom dat van eigenaar wisselt.
Op dit terrein kun je zeker niet spreken van ‘rust’. Kijk je naar de naoorlogse geschiedenis van de media, dan zie je zelfs dat die onzekerheid over eigendomsverhoudingen eigenlijk een vast gegeven is. Als een kwikbolletje rolt het over het speelveld van de media. Nu eens is de een aan de beurt, dan weer de ander. Bij de regionale dagbladen lijkt het de laatste jaren zelfs permanent onrustig.
Komt het soms door het kapitalistische systeem?
Het Genootschap spreekt, gezien de samenstelling van de leden, geen voorkeur uit voor één vorm van eigendom, maar het is wellicht goed om te beseffen dat ook kranten die voor een alternatieve eigendomsverhouding kozen, uiteindelijk zijn verdwenen. Ik denk aan Het Vrije Volk en De Waarheid, twee kranten die beide ooit de grootste van Nederland waren. Ze streefden geen winstmaximalisatie na en toch zijn ze verdwenen.
Zoals het ook goed is om te beseffen dat zelfs media die geheel ‘publiek eigendom’ zijn, door grote onzekerheid over hun voortbestaan kunnen worden getroffen, zoals de afgelopen jaren bleek bij de publieke omroepen, waar nu gelukkig weer sprake is van een hernieuwd zelfvertrouwen.
Onrust en onzekerheid horen in zekere zin bij de dynamiek van het maken van media in een vrije maatschappij, met vrije concurrentie en verhandelbaar eigendom. Ook onze eigen media, waar we zelf bij werken, zijn uit dit systeem voortgekomen.
Ze hebben andere media verdrongen, opgekocht of juist van de hand gedaan. Zonder dit systeem hadden we zelf niet bestaan.
Een goed voorbeeld is de Provinciale Zeeuwse Courant, waar we vandaag te gast zijn en die dit jaar 2,5 eeuw bestaat - Peter, van harte gefeliciteerd. In die 250 jaar heeft de PZC vele titels in het Zeeuwse opgeslokt. Maar je kunt het ook positief zien: die titels zijn opgenomen in een grote sterke krant en leven daarin voort.
Deze liberale opvatting wordt mogelijk gekleurd door mijn eigen visie en ik stel die graag ter discussie. Waarbij uiteraard, los van welke visie dan ook, de vraag een rol kan spelen in hoeverre redacties, in hoeverre hoofdredacties, zich kunnen verzetten tegen besluiten van eigenaren? Hebben we andere mogelijkheden dan argumenten en feiten aandragen? Biedt het Redactiestatuut, dit fenomeen uit de jaren zeventig, voldoende bescherming in het huidige krachtenveld? Wat kunnen we van elkaars ervaringen leren? Ook hierover kunnen we straks discussiëren.
Hoe dan ook, onze loyaliteit ligt ook bij de titel, bij onze lezers, kijkers en luisteraars.
En er is nog een belang. Media vormen immers de zuurstof van de democratie. Zonder media kunnen volksvertegenwoordigingen niet functioneren, noch de Tweede Kamer, noch de gemeenteraad, noch (ik zeg het in deze zaal) de Provinciale Staten.
Hetzelfde geldt voor de rechtsstaat. De media leggen de verbanden tussen de vele instituties waaruit die rechtsstaat bestaat. In een over-gespecialiseerde samenleving zijn de journalisten overgebleven als de enige generalisten. Zij leggen als verkenners de talloze lijntjes tussen de eindeloos veel cellen waaruit die samenleving bestaat. Zij informeren alle instituties en bedrijven over elkaars doen en laten. Haal je de journalisten weg, haal je de media weg, dan verwordt de samenleving tot een ‘donkere kamer’, waarin iedereen in de duisternis tast.
Dit element hoort eigenlijk ook een rol te spelen in de discussies over de plannen van nieuwe eigenaren.
Willen journalisten dit werk in dienst van de democratie goed kunnen doen, dan moeten zij in staat zijn hun bronnen te beschermen. Minister Hirsch Ballin had beloofd zijn voorstel om het verschoningsrecht te regelen voor het begin van het voorjaar naar de Tweede Kamer te zullen sturen. Dat het er nog niet is, valt te begrijpen. Ook als Genootschap hebben we lang met dit onderwerp gestoeid.
Als een wettelijke regeling lang op zich laat wachten, is het misschien mogelijk over de gijzeling van getuigen voortaan door een meervoudige kamer te laten beslissen. Dan is er minder gevaar dat een onervaren rechter maar wat beslist. Wat ook kan helpen, is een korte pr-campagne om de justitiële beroepsgroep duidelijk te maken dat het laten gijzelen van journalisten geen zin heeft omdat ze toch niets zeggen. Enige uitleg over de jurisprudentie van het Hof in Straatsburg kan daarbij geen kwaad.
Uiteraard zijn we groot genoeg om voor onszelf te zorgen, maar het zou aardig zijn als minister Ronald Plasterk van Media journalisten steunt bij het tegengaan van allerlei beperkingen van de vrije nieuwsgaring waarmee fotografen en andere journalisten worden geconfronteerd bij sportevenementen. Met name voetbalclubs doen alsof ze als eigenaar allerlei huisregels kunnen opleggen. Terwijl sport een maatschappelijk belang heeft en de vrije nieuwsgaring niet mag worden aangetast vanwege de commerciële belangen van de exploitanten. Waarbij het goed is om op te merken dat met de bouw van stadions vaak publiek geld is gemoeid. Net als bij de salarissen van spelers.
In Brussel, waar nog vaker dan in Den Haag stemmen opgaan om de media aan banden te leggen, heeft het kabinet zich bij herhaling een groot voorstander getoond van zelfregulering door de media. Met de Raad voor de Journalistiek is die zelfregulering in Nederland dan ook goed geregeld. Vandaar dat ik zeer verbaasd was toen ik hoorde dat de minister-president een bodemprocedure is begonnen tegen het nog jonge en kleine weekblad Opinio.
Woensdag is de eerste zitting in dit proces, dat lang kan gaan duren en veel geld kan gaan kosten. Niet alleen geld van Opinio, maar ook geld van de belastingbetaler. Want hoewel de minister-president werd aangesproken in zijn rol als CDA-leider, is het de staat die het proces voert.
Aangezien het kabinet voortdurend aandringt op zelfregulering door de media, zou het logisch zijn, en de minister-president sieren, als hij zelf dan ook gebruikmaakt van het instrument van deze zelfregulering, namelijk de Raad voor de Journalistiek.
Hopelijk komt de minister-president nog voor woensdag tot het inzicht dat na het verliezen van een kort geding een bodemprocedure tegen een klein opinieblaadje geen methode is die past bij een democratie, noch passend is voor iemand die zich de machtigste man van Nederland kan noemen. Een politicus heeft andere wapens dan advocaten. En als de minister-president een oordeel wil over het journalistiek handelen, dan ligt de weg naar de Raad wijd open.
Dank voor uw aandacht.

