Jaarrede 2010
Toespraak Arendo Joustra, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, op de Jaardag van het Genootschap in de Statenzaal van het Gouvernement van Limburg in Maastricht, vrijdag 28 mei 2010, 14.00 uur.Waarde Genoten,
Uiteraard wil ik graag beginnen met het feliciteren van de nieuwe bestuursleden en in het bijzonder onze nieuwe voorzitter Pieter Sijpersma. Dank dat jullie deze taak op je wilt nemen. En ik wens jullie allen – en daarmee het Genootschap - veel goeds.
Het voorzitterschap van het Genootschap, zo heb ik ervaren, is bijna net zo lastig als het hoofdredacteurschap. Als hoofdredacteur geef je leiding aan een geïnstitutionaliseerde anarchie. In feite geef je leiding aan mensen, allen professionals, die vinden dat ze eigenlijk geen leiding nodig hebben. U weet er zelf alles van.
Met het Genootschap is het niet veel anders. U laat zich, terecht, weinig gezeggen. Een ieder bepaalt zelf wel – en voor zichzelf - wat ‘recht en slecht’ is, om de titel van het populaire radiopraatje van mr. Benno Stokvis uit de jaren zestig te citeren. Vandaar dat het Genootschap altijd heel terughoudend is om als zedenmeester van de journalistiek op te treden.
Neem nou dat gedoe over het jongentje Ruben uit Tilburg. In het Genootschap wordt over wat je wel en niet mag doen, zeer verschillend gedacht. Het heeft dan ook weinig zin elkaar de maat nemen, vooral ook omdat fatsoen een kwestie van smaak is. Daarbij is fatsoen zowel in tijd als internationaal gezien geen statisch begrip. De veranderingen en de verschillen zijn groot. Eenduidige regels zijn dan ook lastig te formuleren.
Discussie over fatsoen, ook in het Genootschap, is goed, zoals ook de discussie over onze eigen code goed en leerzaam was. Het kunnen toetsen van je eigen opvattingen is nuttig, zowel voor het nuanceren als voor het aanscherpen ervan.
Maar blijkbaar wil de buitenwacht dat de media streven naar eenheid, consensus, richtlijnen en gelijkschakeling. Vooral politici laten zich in dit verband graag horen, zoals dinsdag 25 mei bleek tijdens een bijeenkomst van de Raad voor de Journalistiek en de NVJ in Amsterdam. Hoe masochistisch moet je overigens zijn om bij zo’n discussie de politiek te vragen hoe de journalistiek zich moet opstellen?
De afgelopen weken is een paar keer verwezen naar de Raad voor de Journalistiek, die met een soort richtlijn voor de privacy zou willen komen. Maar wie zit daarop te wachten? Elke hoofdredactie is toch heel goed zelf in staat eigen normen vast te stellen? Die hoeven niet voor alle media gelijkluidend te zijn. Pluriformiteit van de media houdt nu juist in dat er verschillen zijn tussen media. Niet alleen qua politieke opvattingen, maar ook qua toon en journalistieke keuzes. We pleiten altijd voor pluriformiteit, voor veelkleurigheid, maar als die optreedt, dan roepen we ach en wee.
Kortom, discussie is prima, maar ik zit niet te wachten op een generieke richtlijn van de Raad voor de Journalistiek.
Het Genootschap is dus terughoudend als zedenmeester. Maar dit betekent niet dat het Genootschap monddood is of niet naar buiten kan treden. Welnee, integendeel. Toen ik aantrad, hield de doyen van het Genootschap, erelid Rimmer Mulder, me voor dat het Genootschap zich minder moest verdedigen tegen alle kritiek. Het is vooral zaak, zo zei hij, om uit te leggen hoe de journalistiek werkt, waarom journalisten doen wat ze doen.
Aan die wijze raad heb ik me de afgelopen vier jaar gehouden, ook in de wetenschap dat de kritiek op de journalistiek van alle tijden is en dat in de discussie eigenlijk heel weinig verandert. In 1932 boog de voorganger van de NVJ, de Nederlandsche Journalisten-Kring, die toen nog geleid werd door hoofdredacteuren, zich over sensatiejournalistiek, en dat was ook toen al, niet voor het eerst.
Aan bijeenkomsten waar je mag uitleggen hoe de journalistiek werkt, is in Nederland geen gebrek. Ik ben het dan ook niet eens met Kamervoorzitter Gerdi Verbeet, die in haar Kees Lunshoflezing betoogde dat de pers te weinig aan zelfreflectie doet. Op redacties gaat het voortdurend over keuzes die het eigen medium en andere media maken. Bovendien zijn er bijna wekelijks bijeenkomsten, al of niet gehouden door organisaties van journalisten zelf, die de journalistiek ter discussie stellen. En dan heb ik de Raad voor de Journalistiek, mede opgericht door het Genootschap, nog niet eens genoemd.
Bovendien is er natuurlijk nog de zelfreinigende werking van de berichtgeving over de journalistiek in de algemene media en in vakbladen als Villemedia en op een weblog als De Nieuwe Reporter. Het is jammer dat de omroep daarbij achterblijft. Het radioprogramma Boemerang (goede titel) verdween al decennia geleden en vorig jaar hield ook De Leugen Regeert ermee op.
De Jaarrede van de voorzitter is bedoeld om discussie bij de leden los te maken, want ze wordt altijd gevolgd door een debat- en vragenronde. Welnu, het jongetje uit Tilburg heb ik al genoemd. Maar er zijn nog twee kwesties die spelen in de actualiteit.
In de eerste plaats heeft het afreden van Birgit Donker bij NRC Handelsblad de discussie over de verhouding directie en hoofdredactie nieuw leven ingeblazen. Dat komt natuurlijk ook door de mindere tijden die we door de economische crisis beleven, waardoor die verhouding tussen directie en hoofdredactie onder spanning komt te staan. Daarbij zijn nieuwe meesters het land binnengetrokken, uit Groot-Brittannië en België, die een andere cultuur met zich meenemen als het gaat om de verhouding tussen directeur en hoofdredacteur. Het is overigens aan de Belgische leden van de grondwetcommissie te danken dat in 1815 de persvrijheid in onze Grondwet is opgenomen.
Historisch gezien is de scheiding tussen de zakelijke en journalistieke leiding in Nederland nogal streng, getuige ook de uitspraak, precies honderd jaar geleden van mr. Plemp van Duiveland toen hij het voorzitterschap van de Nederlandsche Journalisten-Kring aanvaardde. Bij die gelegenheid zei hij:
‘Wij moeten tegenover de directies ons beroep zeer fier hoog houden, in het bewustzijn dat, hoe onmisbaar ook de kapitaalkracht, de ondernemingsgeest, de commercieele eigenschappen zijn, die een dagblad-onderneming evenzeer behoeft als elke andere industrieele- of handelszaak, het tenslotte de geest, de bekwaamheid en de aanleg van de journalisten zijn, waarvan het afhangt of de krant naar behooren voorziet in een levensbehoefte van honderdduizenden.’
Beide partijen, directie en hoofdredactie, hebben voordeel van die strenge scheiding. De hoofdredactie kent de lezer, luisteraar, kijker vaak het best, wat gunstig kan zijn voor de ontwikkeling van de oplage en luister- en kijkcijfers. Een verstandige directie laat de redactie wat dat aangaat haar gang gaan.
Daarbij ken ik zeer commerciële directies die het wel uit hun hoofd laten de hoofdredactie lastig te vallen met belangen van adverteerders, omdat zo’n directie beseft dat op de lange termijn haar medium het beste is gediend met een redactie die onafhankelijk en gescheiden van de belangen van adverteerders opereert.
Hiermee is niet gezegd dat over de globale positionering van het medium nooit overleg mogelijk is. Het kan de pluriformiteit van de media die we allen keer op keer bepleiten, alleen maar ten goede komen. Tijdens het tijdperk van de verzuiling was het aanbod veelkleurig en divers, maar toen de redacties, met het redactiestatuut in de hand, het zelf voor het zeggen kregen, begon er een opvallende overeenstemming te ontstaan qua journalistieke agenda, opvattingen en gezindheid. Uitzonderingen daargelaten.
In de verdringingsmarkt waarin de media per definitie opereren, is dat een gevaarlijke ontwikkeling. Het speelveld wordt zo kleiner gemaakt, in plaats van groter. In die zin hebben ze het bij de publieke omroep beter begrepen. De uitspraak van Henk Hagoort dat de actualiteitenrubrieken 3 x de Volkskrant zijn, heeft veel kritiek ontmoet. Maar heeft hij het in beginsel niet bij het rechte eind?
Tijdens de verzuiling werd het speelveld heel breed getrokken, en was er voor elk wat wils. Door de ontzuiling ontstond kluitjesvoetbal en koekoek één zang. Met vrij gelijkluidende opvattingen over wat kwaliteit is en wat goed en fout.
Laten we niet angsthazig omgaan met voorstellen om kranten, tijdschriften, en rtv-programma’s te herpositioneren. En dan heb ik het, zeg ik met nadruk, niet alleen over de politieke oriëntatie. Maar ook en vooral over sfeer, interesses, agenda. Met een verbreding van het speelveld is de pluriformiteit gediend en kan een nieuw publiek worden aangeboord. Als we dit als hoofdredacteuren niet zelf ter hand nemen, zal het ons overkomen door een doortastende eigenaar of financier, of gaan we, met ons medium, wellicht ten onder.
Mag ik me dan nu, hopelijk namens u allen, richten op de overheid? Er is een groeiende ergernis bij de journalistiek over de toepassing van de Wet Openbaarheid Bestuur. Dertig jaar geleden, toen deze wet van kracht werd, liep Nederland voorop met de openbaarheid van bestuur. Nu blijkt uit talrijke rapporten dat Jan Romeins wet van de remmende voorsprong heeft toegeslagen. Nederland bungelt nu een beetje achteraan.
Overheden traineren verzoeken, overschrijden de termijnen, zetten overal het etiket STAATSGEHEIM op, sturen aan op rechterlijke uitspraken, gaan de informatie te lijf met een stift, zoals Ad van Liempt in zijn toespraak op de Dag van de Persvrijheid liet zien, of laten zich voor de informatie betalen.
Blijkbaar vergeet de overheid dat dit soort informatie niet van haar is, maar van de burger. En als de burger deze informatie vraagt, dient de overheid deze informatie zonder dralen en zonder er geld voor te vragen te overhandigen.
Het zou mooi zijn als in de komende kabinetsformatie afspraken worden gemaakt over een betere openbaarheid, die zich ook uitstrekt over allerlei diensten die dertig jaar geleden nog tot de overheid behoorden, maar inmiddels op afstand zijn gezet en daarmee niet meer onder de wet vallen. Ook andere organen met een publieke taak zouden onder de wet moeten vallen, dus ook ziekenhuizen en staatsbedrijven als de NS.
Overigens maken recente uitspraken van het Europese Hof in Straatsburg zo’n aanpassing noodzakelijk. Ik verwijs daarbij naar het arrest Társaság a Szabadságjogokért – onthoud die naam - tegen Hongarije van 14 april 2009.
Tot slot. Het is met enige spijt dat ik afscheid neem. Sinds de Najaarsvergadering van 2000 ben ik lid geweest van het bestuur en de afgelopen vier jaar heb ik, zoals mijn voorganger Pieter Broertjes het zou noemen, uw voorzitter mogen zijn.
Welnu, het genoegen is geheel aan mijn kant. Mijn periode als voorzitter heb ik als zeer leerzaam en inspirerend ervaren. Bovendien heb ik met het huidige bestuur ongelofelijk veel gelachen. Dank jullie wel, Bernadette, Marcel, Erik, Pieter, Harm.
Graag wil ik drie personen afzonderlijk noemen. In de eerste plaats is dat Kees Lunshof, die tot zijn veel te vroege dood in 2007 deel uitmaakte van het bestuur. Sindsdien missen wij zijn wijsheid, contacten, gebrom en vriendschap.
In de tweede plaats René van Rijckevorsel, mijn plaatsvervanger bij Elsevier, die gedurende het voorzitterschap steeds meer taken van mij bij Elsevier moest overnemen. Dank je wel René.
En dan iemand die niet voldoende kan worden geprezen voor al het werk dat zij schijnbaar moeiteloos en altijd opgewekt voor het Genootschap heeft verricht, Henny Engberts.
Dank u wel, het gaat u allen goed.
Toespraak Arendo Joustra, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, op de Jaardag van het Genootschap in de Statenzaal van het Gouvernement van Limburg in Maastricht, vrijdag 28 mei 2010, 14.00 uur.
Waarde Genoten,
Uiteraard wil ik graag beginnen met het feliciteren van de nieuwe bestuursleden en in het bijzonder onze nieuwe voorzitter Pieter Sijpersma. Dank dat jullie deze taak op je wilt nemen. En ik wens jullie allen – en daarmee het Genootschap - veel goeds.
Het voorzitterschap van het Genootschap, zo heb ik ervaren, is bijna net zo lastig als het hoofdredacteurschap. Als hoofdredacteur geef je leiding aan een geïnstitutionaliseerde anarchie. In feite geef je leiding aan mensen, allen professionals, die vinden dat ze eigenlijk geen leiding nodig hebben. U weet er zelf alles van.
Met het Genootschap is het niet veel anders. U laat zich, terecht, weinig gezeggen. Een ieder bepaalt zelf wel – en voor zichzelf - wat ‘recht en slecht’ is, om de titel van het populaire radiopraatje van mr. Benno Stokvis uit de jaren zestig te citeren. Vandaar dat het Genootschap altijd heel terughoudend is om als zedenmeester van de journalistiek op te treden.
Neem nou dat gedoe over het jongentje Ruben uit Tilburg. In het Genootschap wordt over wat je wel en niet mag doen, zeer verschillend gedacht. Het heeft dan ook weinig zin elkaar de maat nemen, vooral ook omdat fatsoen een kwestie van smaak is. Daarbij is fatsoen zowel in tijd als internationaal gezien geen statisch begrip. De veranderingen en de verschillen zijn groot. Eenduidige regels zijn dan ook lastig te formuleren.
Discussie over fatsoen, ook in het Genootschap, is goed, zoals ook de discussie over onze eigen code goed en leerzaam was. Het kunnen toetsen van je eigen opvattingen is nuttig, zowel voor het nuanceren als voor het aanscherpen ervan.
Maar blijkbaar wil de buitenwacht dat de media streven naar eenheid, consensus, richtlijnen en gelijkschakeling. Vooral politici laten zich in dit verband graag horen, zoals dinsdag 25 mei bleek tijdens een bijeenkomst van de Raad voor de Journalistiek en de NVJ in Amsterdam. Hoe masochistisch moet je overigens zijn om bij zo’n discussie de politiek te vragen hoe de journalistiek zich moet opstellen?
De afgelopen weken is een paar keer verwezen naar de Raad voor de Journalistiek, die met een soort richtlijn voor de privacy zou willen komen. Maar wie zit daarop te wachten? Elke hoofdredactie is toch heel goed zelf in staat eigen normen vast te stellen? Die hoeven niet voor alle media gelijkluidend te zijn. Pluriformiteit van de media houdt nu juist in dat er verschillen zijn tussen media. Niet alleen qua politieke opvattingen, maar ook qua toon en journalistieke keuzes. We pleiten altijd voor pluriformiteit, voor veelkleurigheid, maar als die optreedt, dan roepen we ach en wee.
Kortom, discussie is prima, maar ik zit niet te wachten op een generieke richtlijn van de Raad voor de Journalistiek.
Het Genootschap is dus terughoudend als zedenmeester. Maar dit betekent niet dat het Genootschap monddood is of niet naar buiten kan treden. Welnee, integendeel. Toen ik aantrad, hield de doyen van het Genootschap, erelid Rimmer Mulder, me voor dat het Genootschap zich minder moest verdedigen tegen alle kritiek. Het is vooral zaak, zo zei hij, om uit te leggen hoe de journalistiek werkt, waarom journalisten doen wat ze doen.
Aan die wijze raad heb ik me de afgelopen vier jaar gehouden, ook in de wetenschap dat de kritiek op de journalistiek van alle tijden is en dat in de discussie eigenlijk heel weinig verandert. In 1932 boog de voorganger van de NVJ, de Nederlandsche Journalisten-Kring, die toen nog geleid werd door hoofdredacteuren, zich over sensatiejournalistiek, en dat was ook toen al, niet voor het eerst.
Aan bijeenkomsten waar je mag uitleggen hoe de journalistiek werkt, is in Nederland geen gebrek. Ik ben het dan ook niet eens met Kamervoorzitter Gerdi Verbeet, die in haar Kees Lunshoflezing betoogde dat de pers te weinig aan zelfreflectie doet. Op redacties gaat het voortdurend over keuzes die het eigen medium en andere media maken. Bovendien zijn er bijna wekelijks bijeenkomsten, al of niet gehouden door organisaties van journalisten zelf, die de journalistiek ter discussie stellen. En dan heb ik de Raad voor de Journalistiek, mede opgericht door het Genootschap, nog niet eens genoemd.
Bovendien is er natuurlijk nog de zelfreinigende werking van de berichtgeving over de journalistiek in de algemene media en in vakbladen als Villemedia en op een weblog als De Nieuwe Reporter. Het is jammer dat de omroep daarbij achterblijft. Het radioprogramma Boemerang (goede titel) verdween al decennia geleden en vorig jaar hield ook De Leugen Regeert ermee op.
De Jaarrede van de voorzitter is bedoeld om discussie bij de leden los te maken, want ze wordt altijd gevolgd door een debat- en vragenronde. Welnu, het jongetje uit Tilburg heb ik al genoemd. Maar er zijn nog twee kwesties die spelen in de actualiteit.
In de eerste plaats heeft het afreden van Birgit Donker bij NRC Handelsblad de discussie over de verhouding directie en hoofdredactie nieuw leven ingeblazen. Dat komt natuurlijk ook door de mindere tijden die we door de economische crisis beleven, waardoor die verhouding tussen directie en hoofdredactie onder spanning komt te staan. Daarbij zijn nieuwe meesters het land binnengetrokken, uit Groot-Brittannië en België, die een andere cultuur met zich meenemen als het gaat om de verhouding tussen directeur en hoofdredacteur. Het is overigens aan de Belgische leden van de grondwetcommissie te danken dat in 1815 de persvrijheid in onze Grondwet is opgenomen.
Historisch gezien is de scheiding tussen de zakelijke en journalistieke leiding in Nederland nogal streng, getuige ook de uitspraak, precies honderd jaar geleden van mr. Plemp van Duiveland toen hij het voorzitterschap van de Nederlandsche Journalisten-Kring aanvaardde. Bij die gelegenheid zei hij:
‘Wij moeten tegenover de directies ons beroep zeer fier hoog houden, in het bewustzijn dat, hoe onmisbaar ook de kapitaalkracht, de ondernemingsgeest, de commercieele eigenschappen zijn, die een dagblad-onderneming evenzeer behoeft als elke andere industrieele- of handelszaak, het tenslotte de geest, de bekwaamheid en de aanleg van de journalisten zijn, waarvan het afhangt of de krant naar behooren voorziet in een levensbehoefte van honderdduizenden.’
Beide partijen, directie en hoofdredactie, hebben voordeel van die strenge scheiding. De hoofdredactie kent de lezer, luisteraar, kijker vaak het best, wat gunstig kan zijn voor de ontwikkeling van de oplage en luister- en kijkcijfers. Een verstandige directie laat de redactie wat dat aangaat haar gang gaan.
Daarbij ken ik zeer commerciële directies die het wel uit hun hoofd laten de hoofdredactie lastig te vallen met belangen van adverteerders, omdat zo’n directie beseft dat op de lange termijn haar medium het beste is gediend met een redactie die onafhankelijk en gescheiden van de belangen van adverteerders opereert.
Hiermee is niet gezegd dat over de globale positionering van het medium nooit overleg mogelijk is. Het kan de pluriformiteit van de media die we allen keer op keer bepleiten, alleen maar ten goede komen. Tijdens het tijdperk van de verzuiling was het aanbod veelkleurig en divers, maar toen de redacties, met het redactiestatuut in de hand, het zelf voor het zeggen kregen, begon er een opvallende overeenstemming te ontstaan qua journalistieke agenda, opvattingen en gezindheid. Uitzonderingen daargelaten.
In de verdringingsmarkt waarin de media per definitie opereren, is dat een gevaarlijke ontwikkeling. Het speelveld wordt zo kleiner gemaakt, in plaats van groter. In die zin hebben ze het bij de publieke omroep beter begrepen. De uitspraak van Henk Hagoort dat de actualiteitenrubrieken 3 x de Volkskrant zijn, heeft veel kritiek ontmoet. Maar heeft hij het in beginsel niet bij het rechte eind?
Tijdens de verzuiling werd het speelveld heel breed getrokken, en was er voor elk wat wils. Door de ontzuiling ontstond kluitjesvoetbal en koekoek één zang. Met vrij gelijkluidende opvattingen over wat kwaliteit is en wat goed en fout.
Laten we niet angsthazig omgaan met voorstellen om kranten, tijdschriften, en rtv-programma’s te herpositioneren. En dan heb ik het, zeg ik met nadruk, niet alleen over de politieke oriëntatie. Maar ook en vooral over sfeer, interesses, agenda. Met een verbreding van het speelveld is de pluriformiteit gediend en kan een nieuw publiek worden aangeboord. Als we dit als hoofdredacteuren niet zelf ter hand nemen, zal het ons overkomen door een doortastende eigenaar of financier, of gaan we, met ons medium, wellicht ten onder.
Mag ik me dan nu, hopelijk namens u allen, richten op de overheid? Er is een groeiende ergernis bij de journalistiek over de toepassing van de Wet Openbaarheid Bestuur. Dertig jaar geleden, toen deze wet van kracht werd, liep Nederland voorop met de openbaarheid van bestuur. Nu blijkt uit talrijke rapporten dat Jan Romeins wet van de remmende voorsprong heeft toegeslagen. Nederland bungelt nu een beetje achteraan.
Overheden traineren verzoeken, overschrijden de termijnen, zetten overal het etiket STAATSGEHEIM op, sturen aan op rechterlijke uitspraken, gaan de informatie te lijf met een stift, zoals Ad van Liempt in zijn toespraak op de Dag van de Persvrijheid liet zien, of laten zich voor de informatie betalen.
Blijkbaar vergeet de overheid dat dit soort informatie niet van haar is, maar van de burger. En als de burger deze informatie vraagt, dient de overheid deze informatie zonder dralen en zonder er geld voor te vragen te overhandigen.
Het zou mooi zijn als in de komende kabinetsformatie afspraken worden gemaakt over een betere openbaarheid, die zich ook uitstrekt over allerlei diensten die dertig jaar geleden nog tot de overheid behoorden, maar inmiddels op afstand zijn gezet en daarmee niet meer onder de wet vallen. Ook andere organen met een publieke taak zouden onder de wet moeten vallen, dus ook ziekenhuizen en staatsbedrijven als de NS.
Overigens maken recente uitspraken van het Europese Hof in Straatsburg zo’n aanpassing noodzakelijk. Ik verwijs daarbij naar het arrest Társaság a Szabadságjogokért – onthoud die naam - tegen Hongarije van 14 april 2009.
Tot slot. Het is met enige spijt dat ik afscheid neem. Sinds de Najaarsvergadering van 2000 ben ik lid geweest van het bestuur en de afgelopen vier jaar heb ik, zoals mijn voorganger Pieter Broertjes het zou noemen, uw voorzitter mogen zijn.
Welnu, het genoegen is geheel aan mijn kant. Mijn periode als voorzitter heb ik als zeer leerzaam en inspirerend ervaren. Bovendien heb ik met het huidige bestuur ongelofelijk veel gelachen. Dank jullie wel, Bernadette, Marcel, Erik, Pieter, Harm.
Graag wil ik drie personen afzonderlijk noemen. In de eerste plaats is dat Kees Lunshof, die tot zijn veel te vroege dood in 2007 deel uitmaakte van het bestuur. Sindsdien missen wij zijn wijsheid, contacten, gebrom en vriendschap.
In de tweede plaats René van Rijckevorsel, mijn plaatsvervanger bij Elsevier, die gedurende het voorzitterschap steeds meer taken van mij bij Elsevier moest overnemen. Dank je wel René.
En dan iemand die niet voldoende kan worden geprezen voor al het werk dat zij schijnbaar moeiteloos en altijd opgewekt voor het Genootschap heeft verricht, Henny Engberts.
Dank u wel, het gaat u allen goed.

