Jaarrede 2011

Toespraak Pieter Sijpersma, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, op de Jaardag van het Genootschap in het Instituur van Beeld en Geluid te Hilversum.

Geachte collega’s, waarde Genoten,

 

Mijn directe voorganger, Arendo Joustra, was korter van stof dan de man die hij opvolgde, Pieter Broertjes. Ik kan u nu al zeggen dat ik nog korter zal zijn. Noorderlingen zijn trouwens van nature kort van stof. En van de noorderlingen zijn de Groningers de ware meesters in beknoptheid. Een half woord is meer dan genoeg.

 

Stel dat aan het evangelie ook een Groninger had meegeschreven. Dan had Lucas of Johannes of Mattheus gezegd: Sicco, jong, schrijf jij het verhaal van de onbevlekte ontvangenis eens op.

 

Ik kan u verzekeren, dat was een kort verhaal geworden: O Here, zei Maria, die met Jozef was getrouwd, ik ben zwanger. Wie zou dat gedaan hebben?

 

Misschien wordt de turbulentie in Medialand u wel eens te veel. Want als hoofdredacteuren moeten we van de meeste ontwikkelingen goed op de hoogte blijven. We moeten meebeslissen in beleids-, bedrijfs- en uitgeefpolitiek. En er mede voor zorgdragen dat onze redacties meegaan in de veranderingen, nieuwe platforms ontwikkelen en onze organisatie en kopijstromen er op aanpassen.

 

Die toenemende druk op hoofdredacties kan ertoe leiden dat hoofdredacteuren steeds meer directeur worden, of uitgever, of zich als zodanig gaan gedragen. Die ontwikkeling lijkt zich af te tekenen bij een van de grote krantenconcerns van Nederland, als we de berichten die over Wegener naar buiten komen tenminste kloppen.

 

De feiten ken ik niet allemaal. Maar als het klopt dat de positie van de hoofdredacties wordt aangetast, zal dat ook tot aantasting van de onafhankelijkheid van de redactie leiden. De onafhankelijkheid van de redactie is het grootste goed dat een medium of een uitgever heeft. Het is ook het enige dat de journalistiek wezenlijk onderscheidt van alle andere informatie die tegenwoordig altijd en overal op ons afkomt. De onafhankelijkheid van de redactie is de basis van het vertrouwen dat de lezer, de kijker, de bezoeker en de luisteraar in ons stellen. Als in de onafhankelijkheid van de redactie niet meer wordt geloofd, valt die basis van vertrouwen weg. De uitgever die dat toestaat of zelfs bevordert, verstaat zijn vak niet. Hij zal uiteindelijk de hoogste prijs betalen.

 

Ik keer terug naar mijn thema: de veranderingen in journalistiek Nederland. Of mensen veranderen, echt veranderen, nee, dat denk ik niet. Ik huldig het woord van Prediker. Uiteindelijk is er niets nieuws onder de zon.

 

De manier waarop mensen van nieuws kennis nemen, hun idee van wat nieuws is, en vooral, de belangrijkste factor, de dingen en de hoeveelheid dingen waaraan ze hun tijd besteden, dat verandert allemaal wel.

 

Dat vraagt van ons als brengers van het nieuws aanpassingen, in de wijzen van distributie van ons nieuws, in de manier waarop we het presenteren en er vervolg en begeleiding aan geven.

 

Nog steeds neemt het aantal media per individu toe. Met de opkomst van Facebook en Twitter lijkt zelfs elke grens opgeheven. Iedereen kan journalist zijn, iedereen kan nieuws de wereld insturen. Wij treuren altijd als een medium het loodje legt, omdat we hechten een een veelkleurig medialandschap. Hoe meer er te kiezen valt voor mensen die in nieuws geïnteresseerd zijn, des te beter het is. Zo bezien leven we nu dan in een gouden tijd: pluriformer dan nu is het aanbod aan leveranciers van nieuws nog nooit geweest.

 

Of - misschien markeert juist de opkomst van de grenzeloze `sociale media' (netwerkmedia) tegelijk een scheidslijn. Want door deze exponentiële toename van bronnen ontstaat er een fenomeen dat je een informatie-tsunami zou kunnen noemen. Dan komt het nieuws op alle mogelijke manieren en van jan en alleman op je af. Je wordt bedolven.

 

Die overvloed in het nieuwsaanbod bewijst juist de kracht en daarmee ook het bestaansrecht van ons als traditionele beroepsgroep: als er zoveel gekwetterd en gedaan wordt, waarin alles even waar is, is er des te meer behoefte aan redacties die het klassieke handwerk bedrijven: de feiten opsporen, de juistheid ervan toetsen en de bronnen op hun deugdelijkheid verifiëren, de feiten selecteren en begrijpelijk en overzichtelijk presenteren, en er nadere duiding en soms commentaar bij geven.

 

Dat dat de doorslag geeft, wordt ook bewezen door het beroep dat Wikileaks op de traditionele media deed: klopt het vergaarde materiaal, hoe maken we een goede selectie en hoe kunnen we het begrijpelijk aan een groot publiek voorschotelen?

 

Het probleem waar we allemaal mee worstelen, is ten diepste de distributie. Er komen nieuwe mediumtypen bij en van ons wordt verwacht dat we die allemaal als platform gebruiken. Dat geldt voor kranten, tijdschriften, televisie, radio, en zelfs internet. De toekomst is aan glimmende apparaten.

 

De aanpassingen die dat vergt raken alle processen op de redactie en de organisatie. Nieuwe zaktijden, nieuwe templates, verschillende versies, updates, formats: het zal allemaal moeten, want we moeten met de tijd mee.

 

Wat dat betreft moet het zo langzamerhand afgelopen zijn met de voortdurende verkleining van redacties. Uitgevers en mediaconcerns die doorgaan met het verkleinen van redacties en ze tegelijk opzadelen met steeds meer productie, zien uiteindelijk de kwaliteit teruglopen. Nogal wat bedrijven krijgen klappen als gevolg van de verschuivingen binnen de advertentiemarkt en zetten de tering naar de nering.

 

Als het echter zo doorgaat, is er straks alleen nog de dagelijkse productie van regulier nieuws. Tijd om echt ergens achteraan te gaan zal er niet zijn. Een redactie is niet een spons die je eindeloos kan blijven uitknijpen. De verantwoordelijke uitgever moet beseffen dat een volwaardige redactie een eerste vereiste is om de toekomst van zijn titels, namen, programma's veilig te stellen. Dat onafhankelijk nieuws een groot goed is. En dat wij als redacties moeten kunnen doen wat wij geacht worden te doen en niet mogen worden afgeleid door bijzaken.

 

Puur journalistiek gezien hebben we momenteel verder niets te klagen. Er is veel nieuws, uit binnen- en buitenland. Er verschijnen meer boeken dan ooit van journalisten, over de journalistiek zelf en over de media. Volgens Piet Kaashoek is rechts nu aan de macht in de media. De meeste lezers en kijkers denken er anders over, vrees ik; politici ook.

 

Minister Donner heeft onlangs weer eens opwinding veroorzaakt met zijn opmerkingen over de WOB, hoewel hij eigenlijk geen concrete aanpassingen heeft aangekondigd. Hij wil voorkomen dat de wet misbruikt wordt. Daar is weinig mis mee. Burgers of journalisten hoeven ook niet alles te weten, volgens de minister. Inderdaad, niet elke vorm van geheimhouding is kwalijk. Waar de minister er mijns inziens er helemaal naast zit, was de vergelijking met de worstjes van de slager. Wetten zijn als worstjes, aldus Donner; je kunt beter maar niet weten hoe die zijn gemaakt. De overheid is echter geen slager. Als ons de worst van de ene slager niet meer smaakt, bieden we onze klandizie bij een andere slager aan. Er is maar één overheid; we kunnen nergens anders naar toe.

 

Bovendien is de overheid er ten gunste van de burgers; de overheid is in die zin van ons. En dat betekent dat de informatie van de overheid in principe vrij is. Geheimhouding dient de uitzondering te zijn in een democratie.

 

Minister Donner ziet het precies andersom. Hij sprak als een een typische exponent van de staat. Die ziet hij als intrinsiek goed. Het wantrouwen van journalisten begrijpt hij niet. In dat opzicht lijkt hij wereldvreemd. Of hij is slecht geïnformeerd of te kort van memorie. Want de staat is niet neutraal of goed. De bemoeizucht van de staat jegens de burger is groter dan ooit tevoren.

 

Er zijn talloze voorbeelden van een onwillige overheid. Donner zegt dat Nederland een informatieplicht heeft en dat de WOB-procedures niet specifiek gericht is op het verstrekken van documenten.

 

In werkelijkheid wordt het de journalist die wobt dikwijls onmogelijk gemaakt om de gevraagde documenten te verkrijgen. Soms komen ze veel te laat, dan zijn we zwart van het streepwerk en het gebeurt zelfs dat hun bestaan wordt ontkend. Wat minister Donner ontkent is dat er blunderende ambtenaren zijn, dat er politici zijn die verkeerde beslissingen nemen, die tot maatschappelijke en financiële schade leiden, dat er bedrog is, dat er gewoon dingen misgaan. Hij zegt verder dat bestuursorganen moeten vaststellen of openbaarmaking bijdraagt aan een proportionele winst aan openbaarheid. Het is mij een raadsel wat dat is. Blijkbaar maakt hij uit wat de burger, de pers of maatschappelijke organisaties maar beter wel of niet kunnen weten.

 

Behalve wat de minister heeft gezegd, is het ook zijn toon die te denken geeft. Hij spreekt met de laatdunkendheid van de regent. Hier spreekt niet de democraat die in de openbaarheid een kernwaarde van de democratie ziet, maar haar als een gunst lijkt te beschouwen. Die eigenlijk de pers een rol toedicht die in het verlengde van de overheid ligt. We hebben nieuws voor de minister: de pers hoort er niet bij. De journalistiek staat aan de kant van de burgers. Zorg heeft de minister over de vraag wie dan de pers controleert. Diezelfde burgers. Als wij het niet goed doen, stemmen ze met hun voeten. Gelukkig heeft een aantal leden van de Tweede Kamer beloofd de minister hierover aan de tand te voelen. We kijken allemaal mee.

 

Collega's,

 

Joep Dohmen en Robert Chesal hebben de meeste prijzen en de hoogste prijs in ons vak gewonnen. Dat is prachtig; hun werk inspireert ons allemaal, want dit soort journalistiek, daar gaat het om. De publieke omroep verkeert in onzekerheid en bezuinigingen vallen niet uit te sluiten. Ik roep de omroepbestuurders wel op om in de prioriteiten juist voor de journalistiek te kiezen. De kranten worstelen, hier en daar lukt het maar niet om een goede hoofdredacteur te vinden.

 

Ik ben optimistisch over de toekomst van de onafhankelijke journalistiek in Nederland. Het is niet altijd gemakkelijk om hoofdredacteur te zijn. Maar het is nog steeds een van de mooiste functies die een mens zich kan wensen. Menigeen beschouwt ons als bevoorrecht – en dat zijn we ook. Zo met het nieuws bezig zijn, op de rand van de actualiteit, voor zo'n groot publiek en omwille van een heel groot belang: wij treffen het maar.

 

Ik wens jullie allen voorspoed en succes bij jullie belangrijke werk. Voorwaarts en recht zo die gaat.

© Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren
Design & technische realisatie: Nico van Veenendaal