Jaarrede 2009
Toespraak Arendo Joustra op de Jaarvergadering van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, dinsdagmiddag 12 mei 2009 in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam.Waarde vrienden,
Ik weet niet of jullie P.J. Koets nog kennen, maar hij was van 1951 tot 1961 hoofdredacteur van Het Parool. Van hem is de fraaie uitspraak: some newspapers are prostitutes, some are institutes.
Welnu, de media van de leden van het Genootschap behoren alle tot de laatste categorie. Vandaar dat het altijd weer een voorrecht is om in uw midden te verkeren en u te mogen toespreken.
We kijken terug op een roerig jaar, waarin de economische crisis hard heeft toegeslagen. Media lijken meer last van deze crisis te hebben dan andere sectoren. Met uitzondering misschien van de financiële sector. Maar anders dan de media kregen banken en verzekeringsbedrijven onmiddellijk steun van de overheid. Ze zijn immers onmisbaar om ‘het systeem' in stand te houden.
Terecht heeft Frits van Exter, hoofdredacteur van Vrij Nederland, erop gewezen dan media net zo onmisbaar zijn. Wat is het democratische systeem immers waard zonder journalistiek? Joseph Pulizer, die van de prijs, zei het ooit zo: ‘Our Republic and its press will rise or fall together.' En president Barack Obama brak tijdens het White House Correspondents' Dinner (9 mei 2009) een lans voor de pers: ‘A government without newspapers, a government without a tough and vibrant media of all sorts is not an option for the United States of America.' Ik kom hier later nog op terug.
Dat de media hard worden getroffen, hoeft niet te verbazen. De advertentiemarkt is immers extreem gevoelig voor de conjunctuur. Marketingbudgetten sneuvelen vaak als eerste. Niet voor niets is het teruglopen van advertentiebestedingen vaak een aankondiging van economisch slechte tijden. Aan de andere kant is het aantrekken van advertenties vaak een voorbode dat de economie weer uit het dal aan komen is. Helaas laten die tekenen nog op zich wachten.
Ook media die minder afhankelijk zijn van advertenties zitten in zwaar weer. Overheden hebben minder geld te besteden en burgers houden hun geld in de zak. Maar wat de financieringsbron ook is, de meeste media proberen de storm uit te zitten.
Helaas kampen de meeste media ook met een structureel probleem, dat niet weg is als de storm is uitgeraasd. Dit structurele probleem was lang voor de crisis al zichtbaar en laat zich samenvatten met de enkele vraag: hoe valt er ooit voldoende geld te verdienen met websites?
Dat geld is bitter nodig, want voor waardevolle journalistiek die meer wil dan slechts het nieuws doorgeven, zijn nu eenmaal veel journalisten nodig. ‘Journalistiek is een arbeidsintensief vak', zoals Eef Bos zei in het interview dat zijn afscheid als hoofdredacteur van De Telegraaf begeleidde.
Hoe betrokken directies ook zijn, vaak beseffen ze niet dat goede journalistiek veel tijd kost. Doorgeven van iets dat al bestaat, is niet moeilijk. Maar goede journalistiek maakt ‘iets', dat nog niet bestaat. Als journalisten een verhaal geen woorden geven, geen geluid geven, geen beeld geven, dan bestaat het verhaal niet. Er is veel nieuws en er zijn veel verhalen, maar ze beginnen steeds met een journalist die uit niets, iets maakt.
Creatie kost tijd en is niet erg efficiënt. Bij schrijven gooi je meer woorden weg, dan uiteindelijk in het stuk staan. Met beeld en geluid is het niet veel anders. Er wordt meer weggegooid dan uitgezonden.
Tijd kost ook het proces dat aan deze creatie vooraf gaat. Voor de journalist met woorden, geluid of beeld het verhaal kan maken, moet hij het verhaal eerst ‘ontdekken', hij moet het onderwerp ‘zien'. En dan volgen nog lezen, praten, nadenken, reconstrueren.
Vandaar de uitspraak van Eef Bos: ‘Om een professionele krant te maken, heb je een hoop mensen nodig.' Voor professionele redaio, voor professionele televisie, voor professionele websites geldt dat evenzeer.
Vallen journalisten weg, dan maken overheden, bedrijven, actiegroepen, belangenorganisaties en sportclubs de verhalen. En die verhalen dienen slechts belangen.
Goede journalistiek werkt onafhankelijk en is in dienst van de lezer, luisteraar, of kijker. Bovenal kiest goede journalistiek zelf de onderwerpen uit en bepaalt zelf de agenda.
Het thema ‘hoe behouden we kwaliteit in tijden van crisis' komt vanmiddag nog uitgebreider aan bod. Eerst tijdens de lezing van professor Marcel Broersma en daarna in de discussie tussen u en het panel.
++++++
Toen ik aan het begin zei dat media net zo onmisbaar zijn voor ‘het systeem' als de financiële sector, verwachtte u wellicht een pleidooi voor overheidssteun. Welnu, dat pleidooi kwam niet en komt er ook niet. Het Genootschap bestaat uit leden die voor media werken met zeer uiteenlopende financiële bronnen. De inkomsten kunnen komen van lezers, adverteerders en overheden. Sommige leden ontvangen al decennia subsidie van de overheid. Andere leden hakken nog liever hun hand af dan die op te houden bij de staat.
Het Genootschap staat neutraal in discussies over overheidssubsidie versus vrije markt. In het Genootschap nemen we elkaar niet de maat als het gaat om de wijze waarop we worden gefinancierd. Alle manieren zijn ons even lief en iedereen is vrij zijn eigen keuze te maken.
Hoewel een pleidooi voor overheidssubsidie achterweg blijft, is hiermee niet gezegd dat de overheid in onze ogen helemaal geen rol heeft. Als reactie op de zogeheten ‘persbrief' van minister Plasterk hebben we bijvoorbeeld gepleit voor het lagere BTW-tarief voor elektronische producten. Verder zou het goed zijn als de overheid niet langer dwars ligt als uitgevers samenwerking zoeken bij het bezorgen van kranten. Enfin, u kent de vele wensen en de Commissie-Brinkman die de minister moet adviseren kent ze ook.
Niet uitgesproken tot en met ‘hoe Trouw hier inmiddels geld mee verdient.': Één element blijft vaak onderbelicht. Daarom ga ik het nu maar eens aandacht geven. Ik heb het over de diefstal waar de overheden en overheidsdiensten zich schuldig aan maken. En dan doel ik op de vloek van de knipselkranten, al of niet elektronisch.
Het is een onderwerp dat journalisten graag negeren, want die vinden het alleen maar leuk als ze door zo veel mogelijk mensen worden gelezen. Maar het gaat om broodroof. De wet verbiedt het, en toch gebeurt het.
Zelf heb ik dit mogen ervaren toen Pim Fortuyn in augustus 2001 besloot zich kandidaat te stellen voor het parlement. Nog diezelfde week had de voorlichtingdienst van de Tweede Kamer alle 800 columns van Fortuyn uit Elsevier gekopieerd en met een mooi kaftje in grote aantallen op de balie gelegd voor Kamerleden, medewerkers en journalisten. Binnen een paar dagen was er al een tweede druk nodig.
Uiteraard heb ik bezwaar gemaakt. Aan de andere kant van de telefoonlijn werd een beetje gesputterd dat ze het altijd zo deden, dat de teksten uit oogpunt van de democratie beschikbaar moesten zijn en nog zo wat. Dat het een grove schending was van de rechten van Fortuyn en Elsevier vond de Tweede Kamer geen argument. Maar waar blijven we als zelfs het parlement de wet overtreedt?
Natuurlijk gaat het vaak goed en zijn er via de CLIP-organisatie allerlei overeenkomsten gesloten over het verspreiden van knipselkranten waarvoor de uitgevers geld krijgen. Maar hoeveel knipselkranten zijn er niet waar we geen weet van hebben? En hoeveel legale knipselkranten worden niet onder het kopieerapparaat gelegd?
Als u denkt dat het om kleine bedragen gaat, dan hebt u het mis. Het betreft miljoenen en het bedrag dat kranten en bladen zo mislopen aan inkomsten uit abonnementen is nog hoger.
Het kan nog erger. Laatst hoorde ik het verhaal van een provincie die dreigde haar advertenties uit de betreffende krant terug te trekken als ze moest gaan betalen voor het maken van een knipselkrant die louter bestond uit artikelen uit dat dagblad.
Dit is blijkbaar de heersende mentaliteit. Het wordt ‘gewoon' gevonden: het dagblad en tijdschrift als publieke dienst. Ik zou minister Plasterk dan ook graag willen oproepen overheden en overheidsdiensten duidelijk te maken dat zulke praktijken - de chantage én de illegale knipselkranten - niet door de beugel kunnen. De overheid kan ambtenaren trouwens beter een abonnement op krant of tijdschrift geven. Dan lezen ze bovendien ook eens artikelen die niet over hun eigen sector gaan.
Niet alleen de overheid jat, ook allerlei websites stelen met ‘copy paste' artikelen van websites van de reguliere media. Omdat ze gratis toegankelijk zijn, denken bloggers, webmasters en anderen die voor websites schrijven dat het gepermitteerd is artikelen en foto's integraal over te nemen. Niet dus. Citeren mag uiteraard, linken ook, maar van A tot Z kopiëren niet. Straks zal Gerbert van Loenen, adjunct van Trouw, ons vertellen hoe Trouw dit heeft aangepakt en hoe Trouw hier inmiddels geld mee verdient.]
+++++
Gelukkig heeft de crisis ook goede kanten. Crisis maakt ook veel creativiteit los. Dingen die voorheen niet konden, kunnen nu opeens wel. Besluiten raken in een stroomversnelling. En opeens doemen nieuwe inzichten en nieuwe technieken op die voorheen in mist waren gehuld.
Daarbij verdienen de meeste mediabedrijven nog steeds geld. We moeten dus niet een al te somber beeld schetsen. Maar ik ben net terug uit Boston en zelfs de Boston Globe blijkt op omvallen te staan.
Er zit ook een zekere logica in. Toen ik laatst op reis ging maakte ik prints van tien wat grotere verhalen uit verschillende Amerikaanse kranten en tijdschriften. Vroeger had ik abonnementen op die bladen, maar waarom zou ik nog, als ik die verhalen gratis kan printen?Toen ik die verhalen vervolgens in het vliegtuig las, besefte ik eens te meer dat dit systeem niet vol te houden is. Een steeds kleinere groep betalende lezers, subsidieert zo een steeds groeiende groep gratis genieters. Dat houdt een keer op. Dit is geen business model meer, dit is zelfmoord.
U werkt niet allemaal bij de gedrukte media. Maar het zal voor u niet moeilijk zijn de problemen die ik schets te vertalen naar uw eigen mediumtype.
Voor ons allen geldt de vraag hoe we geld kunnen verdienen aan internet. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat wat eens gratis werd weggegeven, nu geld gaat opleveren. Dit moet toch mogelijk zijn? Genoeg bedrijven verdienen in Nederland geld door water in een flesje te stoppen, terwijl water voor bijna niets uit de kraan stroomt en van uitstekende kwaliteit is. Hoe werkt dit? Maar vooral, hoe werkt dit voor de media?
Niemand heeft de heilige graal al gevonden, maar er zijn een paar ontwikkelingen aan te wijzen:
- Het persbureau Associated Press is bezig met ‘revenue sharing'. Websites mogen de inhoud van AP overnemen, maar de opbrengsten van de advertenties op die sites, moeten worden gedeeld met AP.
- Rupert Murdoch zegt dat hij binnen een jaar geld gaat vragen aan bezoekers van de websites van zijn kranten. Denk aan The Times en de Sunday Times en New York Post. Dit plan is deels ingegeven door de goede ervaringen bij de Wall Street Journal, dat ook zijn eigendom is.
- Tijdens de Staten-Generaal van de Pers in De Rode Hoed kregen we uitleg over Web 3.0. Je geeft alles weg, maar kijkt vervolgens hoe handige jongens met jouw inhoud geld verdienen. Vervolgens spreek je een financiële bijdrage af.
- Steeds vaker gebruiken we sites als winkel om van alles te verkopen. Van boeken, cd's en films tot elektrische apparaten en zelfs auto's. Naast journalist zijn we ook winkelier.
- In Amerika wordt gepraat over vrijwillige bijdragen aan sites, een typisch Amerikaans fenomeen. Het is een model dat we in Nederland kennen als "Vrienden van ...." Maar in Amerika spreekt men ook over voorstellen om een bedrag te betalen aan een organisatie die dit geld verdeelt over verscheidene media.
- Een vorm van betaling op een iTunes-achtige manier, komt ook om de hoek kijken. Voor sommige verhalen zullen lezer willen betalen.
Later vanmiddag zal Jan Bierhoff ons iets meer vertellen over de wondere wereld van e-Papers en de mogelijkheid om daar geld mee te verdienen.
Tot slot
De crisis leidt tot een volstrekt andere discussie over het vak. Tot voor kort hadden we het vaak over het vertrouwen (of gebrek daaraan) dat anderen in ons hebben. Tegenwoordig gaat het vooral over het vertrouwen dat we in onszelf hebben. Bestaan we nog wel als de crisis straks voorbij is?
Het is misschien goed om te beseffen dat zich veertig jaar geleden - internet bestond nog niet - een soortgelijk crisis speelde. Twee collega's van ons, Max Snijders van het Utrechts Nieuwsblad en Rob Soetenhorst van het Leidsch Dagblad, schreven er een boekje over, De krant in het nauw. Het verscheen in 1972, maar als je het leest, zie je de parallellen met vandaag de dag. Ook toen waren er commissies in de weer die de minister moesten adviseren.
Het slotakkoord van Snijders en Soetenhorst was zeer somber. Maar eerlijk gezegd hebben we ook na 1972 een uiterst gezonde dagbladsector gekend, florerende omroepen en een rijk palet aan tijdschriften.
Dit is opnieuw mogelijk. Daarvoor moeten we wel zelf aan de slag. De Commissie Brinkman is geen deus ex machina die het voor ons zal oplossen. We moeten het zelf doen.
Dank u wel.

