Arendo Joustra over 'multimediale/crossmediale journalistiek'
Inleiding Arendo Joustra, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, over het thema 'multimediale/crossmediale journalistiek' op de Ronde Tafelconferentie Journalistiek; Werken en Opleidingen IV' (de zogeheten Nyenrode-conferentie over de opleidingen en journalistieke beroepspraktijk) op dinsdag 30 mei 2008 in Het Muziekgebouw/Bimhuis in Amsterdam.Dames en heren,
Multimediaal en crossmediaal zijn grote containerbegrippen die een weekbladjournalist een beetje angstig maken. Natuurlijk hebben we bij Elsevier naast het weekblad ook een website en natuurlijk heeft die website ook een hoekje met soms hilarische video's van eigen redacteuren - ze zijn hilarisch bedoeld - en ja, we geven ook nog boeken en glossy's uit, maar we beschouwen dat allemaal als 'gewoon ons werk'.
Maar afgelopen weekeinde maakte Pieter Broertjes mij duidelijk dat ik die activiteiten gerust 'multimediaal' en 'crossmediaal' mag noemen en hij kan het weten, want hij is behalve hoofdredacteur van de crossmediale Volkskrant sinds 2006 ook nog bijzonder lector 'uitgeven van kranten in een multimedia omgeving' aan de Hogeschool Utrecht.
Of het nu een mooie naam heeft of 'gewoon ons werk' is, voor de opleidingen is deze nieuwe praktijk van groot belang. Hoe kunnen zij hun leerlingen hierop voorbereiden?
Eerst maar even die beroepspraktijk. Hoe ziet die eruit? James McGonigal, journalist bij de GPD, maar vooral al jarenlang adviseur en werkpaard van de Commissie Opleidingen van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, maakte voor mij een overzicht waaruit ik nu ruim ga putten.
Voor iedereen die goed oplet, is het al enige tijd zichtbaar: de meervoudige inzet van journalisten. Bij de NOS verschijnen tv-hoofden als radiostem en omgekeerd. Dag- en weekbladen verwijzen in berichtgeving steeds vaker naar hun websites voor uitgebreidere versies en onderliggende documenten. Het ANP paste zich al eerder aan: redacteuren schrijven eerst een 'flash', dat is een kopregel die geschikt is voor SMS. Dan volgt een eerste kort bericht, voor radio en internet. Daarna volgt een uitgebreider bericht voor de andere afnemers. Het Financieele Dagblad koppelt met succes zijn schrijvende activiteiten aan BNR Nieuwsradio.
Multimediaal betekent in de praktijk twee dingen. In de eerste plaats moeten journalisten werken voor verschillende media. Dat vergt een gewenningsproces, het aanleren van vaardigheden en een mentale bereidheid deze ook toe te passen.
In de tweede plaats moeten media nadenken hoe zij hun multimediale capaciteiten willen vormgeven. Geef je elke willekeurige verslaggever een geluidsapparaat of camera mee? Of plegen zij zwaardere investeringen door er een extra kracht - of ploeg - aan toe te voegen? Kan de bestaande infrastructuur van een redactie, een uitgeverij of een omroep zo'n extra belasting aan, die ten slotte op de consument/klant/afnemer minstens zo professioneel moet overkomen als het 'hoofdproduct'?
Journalistieke organisaties zitten midden in deze overgangsfase. Een ideale organisatiestructuur is er nog niet. Soms is er ''n newsroom, waar iedereen voor alle media werkt. Of waar alle journalisten van de verschillende mediatypen zijn verzameld. Soms heeft elke mediatype een eigen redactie.
Bij Elsevier hanteren we mengvorm. De website heeft een eigen redactie, die van 7 uur 's morgens tot middernacht is bemand. Die redactie is zeer betrokken bij de eigen website, die dan ook de best bekeken nieuwssite is van alle tijdschriften. Tegelijk schrijven redacteuren van het weeblad ook voor de site. Nieuwsberichten die ze geen week kunnen goed houden, weblogs, commentaren, ook op video. Het grappige is dat oudere redacteuren dit makkelijker doen dan jongere.
In de Verenigde Staten, waar uitgevers vaak ook over radio- en tv-stations beschikken, soms, zoals in Chicago, in hetzelfde pand, kon het organisatieprobleem jaren geleden al simpel worden oplost: de verslaggever die van de rechtbank kwam, werd voor de microfoon ge'nterviewd door een collega, kamde aansluitend zijn haar en schoof bij de newsdesk van de tv. Daarna liep hij naar zijn werkplek en begon zijn stuk te tikken.
Individuele collega's, met voorop buitenlandse correspondenten, doen dat nu ook een beetje zo: digitale camera mee (foto, video en geluid), op de laptop downloaden, stukje tikken voor de krant/omroep/opdrachtgever, eigen weblog maken met een combinatie van alles, voor zover tekst, beeld en/of geluid niet al (exclusief) verkocht zijn.
Doen alleen eenpitters en kleine organisaties dit? Welnee, al jaren geleden stond op de voorpagina van The New York Times een foto die was gemaakt door de correspondent van die krant in China. Vroeger zou de vakbond zijn gaan staken en hadden journalisten en fotografen er schande van gesproken onder het motto 'ieder zijn eigen vak'. Tegenwoordig is het geaccepteerd.
Dit is ook wel te begrijpen. Want multimediaal betekent niet multi-inkomsten. Het bedrag dat per titel binnenkomt groeit niet. Dus moet dezelfde redactie niet alleen meer kunnen, maar ook meer doen.
Het gevaar is dat een journalist een beetje en Nikkelen Nelis wordt, zo'n muzikant die door zijn benen op te trekken kan trommelen, een tegelijk op een trompet speelt. De eigenaren van media zien het graag zo, maar hoofdredacteuren die ook over de kwaliteit moeten waken, moeten soms optreden, want het geluid van de Nikkelen Nelis klinkt vaak wat vals. Soms hebben journalisten afzondering nodig, weg van de waan van de dag, weg van de waan van de week.
Voor wie het duizelt: vernieuwingen in de journalistiek zijn van alle tijden. Nog tot eind jaren zestig leverden verslaggevers met vulpen geschreven stukjes in bij typistes, of belde ze door bij dezelfde dames. Bureauredacteuren weigerden soms naar een brand te gaan, omdat zij geen verslaggever waren. En iedereen vindt het nu vanzelfsprekend met een computer te werken en zelf zetcodes aan te geven.
Met andere woorden: de angst voor multimediale journalistiek moet niet worden overdreven. Waar het om gaat is duidelijk vast te stellen waar het precies om gaat, zowel wat betreft het gewenste resultaat als de gewenste werkzaamheden. Ouderwets kwaliteitsbewaking dus.
En niet te vergeten: de tijdsdruk, die in dit vak steeds hoger wordt. Kan van een voetbalverslaggever op de tribune van een EK-wedstrijd verwacht worden dat hij 'n op tijd zijn stuk inlevert voor de deadline van het ochtendblad, 'n een radiocommentaar inspreekt, 'n een gefilmde impressie doorzet? Wie vangt trouwens die stroom aan multimediale informatie op? De eindredactie? Technici? Samen?
Belangrijk is te begrijpen dat het niet gaat om de problemen somber in kaart te brengen, maar juist hoopvol te kijken naar de mogelijkheden die er zijn. Dan komen de oplossingen vanzelf.
Zoals gebruikelijk, zal ook deze revolutie in de journalistiek zich langzaam, zij het soms met horten en stoten, voltrekken. Eerder zijn al institutionele en individuele pioniers genoemd. Waar het om gaat, is van elkaar leren: best practices zullen de weg wijzen. En van een aantal daarvan hopen wij vandaag voorbeelden te zien en horen, daarvan en van elkaar te leren.
Wat betekent dit allemaal voor de opleidingen?
Drie zaken zijn cruciaal.
Toen ik zelf 30 jaar geleden op de School voor de Journalistiek in Utrecht zat, had je de mogelijkheid (niets was verplicht) om van alles te proeven en van alles de eerste beginselen te leren. Dus lessen in fotografie, radio, televisie, dagblad- en tijdschriftjournalistiek. Internet was er toen nog niet. Ik heb het allemaal gedaan en leerde wat mij het beste lag. Het is mij goed bevallen en ik vermoed dat het de huidige generatie ook goed zal bevallen. Helemaal als ze op een redactie van een website terecht komen, of ergens in de wereld als eenpitter/correspondent.
De tweede kwestie die cruciaal is, is dat opleidingen de neiging hebben te onderwijzen over het verleden in plaats van over de toekomst. Het lijkt soms alsof docenten nog niet volledig beseffen wat het grote effect is van internet op de nieuwsconsumptie. Dit kan ook bijna niet anders, want ook in de beroepspraktijk dringt het besef maar langzaam door.
Gelukkig zijn dit soort conferenties er om van elkaar te leren. Maar ons valt het op dat, gek genoeg, stagiairs vaak weinig weten van het schrijven voor internet. Wat dat in de kern inhoudt. Wat de betekenis is van 'doorlinken'.
De derde kwestie die cruciaal is, is taalbeheersing. Die was natuurlijk altijd al belangrijk. Maar in dit multimediale tijdperk zie je dat journalisten veel vaker zonder tussenkomst van een eindredacteur en corrector publiceren. Dat is niet altijd een verheffend schouwspel.
Tot slot. De eerste tv-journalisten in Nederland kwamen van de radio en, vaker nog, van kranten en tijdschriften. Wat we ons van die tijd herinneren, is dat inhoudelijk goede journalisten het op tv ook goed deden. En prutsers op papier het er ook op televisie slecht vanaf brachten.
Met andere woorden: inhoud is en blijft voor ons vak nog steeds doorslaggevend.
Ik dank u wel.

