Toespraak burgemeester Cohen

Toespraak van burgemeester Cohen bij de Jaarvergadering van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, Hotel Krasnapolsky 25 april 2003

Ruim zestig hoofdredacteuren toespreken, en ook nog een stapeltje adjuncten – ga er maar aan staan. Het lijkt een beetje op het toespreken van zestig burgemeesters. Hebt u dat wel eens geprobeerd? Eéntje tegelijkertijd is ook wel genoeg!
En dan het thema: de rol van de media één jaar na de moord op Fortuyn. Daarover vroeg Pieter Broertjes mij te reflecteren. Er zijn eenvoudiger onderwerpen.
Wat mij vooral is bijgebleven, is dat het gevoel dat ons allen vorig jaar zo beheerste, dat het allemaal anders zou moeten, is weggeëbd, zonder dat er veel van is blijven hangen. Niet in de politiek, niet in de journalistiek, ook al zal ik niet ontkennen dat binnen uw beroepsgroep wel het nodige aan zelfreflectie is gedaan. Maar ik zou hopen dat de lezers en kijkers daar in de toekomst nog meer van gaan merken. Dat moet ook, want wat er vorig jaar is gebeurd, is niet niks. En als wij geen antwoorden hebben op de storm aan gebeurtenissen die ons vorig jaar is overvallen, dan, ja dan zou het zo weer kunnen gebeuren. Ik zei al dat er het afgelopen jaar zeker wel wàt is gebeurd. Bijvoorbeeld als ik kijk naar het debat over de multiculturele samenleving Dat wordt meer gevoerd, het wordt minder omfloerst gevoerd, er worden ook werkelijk stappen gezet, sommige positief, andere negatief. Maar dat hoort er nu eenmaal bij.
Maar als je kijkt naar de Haagse politiek, dan is er wel heel erg weinig merkbaar van het soort verandering dat vorig jaar in de lucht hing. Wie dénkt er nog over regeerakkoorden van twee A4-tjes? Wie heeft het nog over werkelijke veranderingen in onze institutionele democratie? Wie kritiseert de Haagse kaasstolp, stolperiger in mijn beleving dan hij lange tijd geweest is? En hoe reageert de journalistiek daarop? Reageert die daar überhaupt op?
Ook de journalistiek was toe aan reflectie. Dat was logisch, na zo’n Umwertung aller Werte, waar, uit zijn aard, de journalistiek nauw bij betrokken was. Hoe was, terugkijkend, in journalistiek opzicht het verschijnsel-Fortuyn benaderd? Met te veel vijandigheid, zoals de Fortuynisten beweerden? Met te weinig kritische distantie, zoals diens tegenstanders suggereerden? Nu de stofwolken wat zijn opgetrokken, moet misschien de conclusie toch zijn, dat de journalistiek het naar behoren heeft gedaan. Het was ten slotte bijzonder wat er gebeurde, en het kon niet anders dan dat de reactie daarop ook bijzonder was. En als voor- en tegenstanders ontevreden zijn over de wijze waarop het verschijnsel-Fortuyn werd gevolgd, dan mag dat misschien voor de journalistiek zelf wel tevreden stemmend zijn. Daar komt nog bij dat het in het afgelopen jaar juist ook weer journalisten zijn geweest die hebben geprobeerd om met wat meer afstand naar de verschijnselen van het afgelopen jaar te kijken, ze te interpreteren en te plaatsen. Ik noem het artikel in M van Warna Oosterbaan Martinus, ik noem het boekje over Fortuyn van de NRC-journalisten Jutta Chorus en Menno de Galan, en het boekje over de PvdA-campagne van de Parool-journalisten Bas Soetenhorst en Addie Schulte. Verhelderende stukken, interessante tijdsdocumenten.
Zo, die mag u in de zak steken. Maar u weet hoe het werkt, als er iets aardigs is gezegd. Dan wordt het tijd voor de aanval. Daar gaat-ie.
Als de opkomst van Fortuyn iets nog weer heeft duidelijk gemaakt, dan is het het belang van de pers. De campagne van hem was een mediacampagne. Het was eigenlijk niet meer dan dat. En bij de laatste verkiezingen hebben we hetzelfde opnieuw gezien: de mediacampagne is de standaard geworden. Nieuw is het verschijnsel niet, het heeft zich alleen maar, en nog sterker dan in het verleden, voortgezet. De pers kan politici, de politiek, maken en breken. Hoho, dat is te zwaar aangezet. Zo zit het natuurlijk niet. Maar de media zijn wèl een vitale schakel in dat proces. Ik hoef daar niet echt over uit te wijden, we weten allemaal dat dat zo zit. De media zijn wezenlijk als het gaat over het functioneren van de politiek, in Nederland, als het gaat over het functioneren van de democratie. De media spelen een belangrijke rol in het controleren van de politiek. Niets blijft verborgen, nou ja, bijna niets. En dat is maar goed ook, hoe lastig ik dat soms ook in mijn rol als bestuurder vind. Overigens, de wetenschap dat in beginsel niks verborgen blijft, stuurt mijn handelen: bij vrijwel alles wat ik doe, realiseer ik mij dat het openbaar kan worden. Dat is misschien nog wel belangrijker dan de vraag of het ooit openbaar wordt.
Kranten en televisie zitten dus boven op alles wat er binnen het publieke domein gebeurt. Zij maken dat als het ware vrijwel volkomen transparant. Maar dan rijst een belangrijke vraag. Als je de media beschouwt als belangrijke bewakers van onze democratie, wie bewaakt dan eigenlijk deze bewakers? Om de oude Latijnse spreuk te gebruiken: quis custodiet ipsos custodes? Laat ik eerst nog iets zeggen over de stelling dat ik media beschouw als bewakers van onze democratie. Natuurlijk zijn zij niet de enige bewakers. Ons staatkundig bestel van checks and balances met een regering, een parlement en een rechterlijke macht heeft die bewakingsfunctie ook en zelfs juist bij deze machten neergelegd. Maar de media staan niet voor niets te boek als de vijfde macht, en ontegenzeggelijk hebben zij ook de functie van bewaker gekregen, of misschien nog wel beter: genomen. Dat ontkennen, past niet bij de feiten.
En dus is de vraag van belang wie deze bewaker bewaakt. Dat is een lastige vraag, waar ook het afgelopen jaar weer aardig over is geredetwist, en ik doe daar vanmiddag nog even aan mee. Hoe moet de lezer, hoe moet de radioluisteraar en de televisiekijker nu beoordelen of het nieuws dat hij of zij voorgelegd krijgt, de onthulling van het jongste schandaal, het opzienbarende bericht dat door de ether schalt of in een vette kop is neergeslagen, dat dat deugt? Dat dat voorzien is van een juiste context? Dat dat gecheckt en dubbelgecheckt is?

Laat ik u eerst vermoeien met een paar voorbeelden uit mijn eigen omgeving waarbij duidelijk is dat daar soms vraagtekens bij te plaatsen zijn. Laat ik beginnen met de openingskop in het blad Binnenlands Bestuur van een maand of twee geleden: “Cohen houdt fraudezaak onder de pet”. Ok, niet een blad om nu verschrikkelijk van te schrikken, maar wel een kop die toch een doodzonde in spe lijkt. Ik hoef gelukkig niet op de details in te gaan, want, zoals ik in een ingezonden brief die uiteindelijk op p. 39 of daaromtrent zonder commentaar van de redactie werd afgedrukt, staat, ging het niet om een fraudezaak, en evenmin om iets onder de pet, maar om het vertrouwelijk toezenden van een stuk aan de gemeenteraad. Twee dingen zaten mij niet lekker: de kop op p. 1 niet, en evenmin het feit dat mijn weerwoord zonder commentaar verscheen ergens achter in hetzelfde blad. Dat vind ik geen equality of arms.
Volgend voorbeeld, op het terrein van de veiligheid, een onderwerp waar ik mij, zoals u weet en begrijpt, veel mee bezig houd. De journalistiek richt zich op nieuws, op datgene wat afwijkt van het reguliere. Dat is uw taak en dat is een belangrijke reden waarom mensen kranten lezen en nieuws- en actualiteitenprogramma’s op radio en tv volgen. De media bepalen daarmee mede de maatschappelijke agenda; zij volgen het nieuws en zij maken het nieuws.
Nu doet zich bij het onderwerp veiligheid een merkwaardige ontwikkeling voor. De statistieken laten zien dat het de afgelopen jaren relatief gesproken beter gaat met de veiligheid: bij ongeveer gelijkblijvende aangiftebereidheid daalt het aantal aangiften, op sommige terreinen zelfs substantieel. Ook in Amsterdam zien wij dat. Tegelijkertijd constateren wij dat dat eigenlijk geen bal uit lijkt te maken voor het veiligheidsgevoel van mensen. Er zijn mensen die zeggen dat veiligheidsgevoel en objectieve (on)veiligheid niet zoveel met elkaar te maken hebben, en er zijn er zelfs die zeggen dat het veiligheidsgevoel sterker correleert met de krant die je leest en de tv-programma’s die je bekijkt dan met objectieve veiligheidsgegevens. De vraag dringt zich dus op wat in dit geval de rol van de media is en welke impact berichtgeving heeft. Je kunt je zelfs afvragen of de wijze van berichtgeving over onveiligheid niet tot een geheel eigen werkelijkheid heeft geleid. En dus of het niet nodig is dat beeld bij te stellen, hoe lastig en vooral saai dat misschien ook is. Natuurlijk, nieuws blijft nieuws, en feilen van politie en burgemeester mogen aan de kaak worden gesteld, maar met regelmaat vraag ik mij af of er niet, en zeker met dit onderwerp, veel zorgvuldiger te werk gegaan kan worden.
Een voorbeeld.
Sinds eind vorig jaar zijn wij in Amsterdam bezig met de aanpak van de zogenaamde harde kern van jeugdige criminelen. Een systematische aanpak van daders waarin we proberen de activiteiten van alle partners die hierbij betrokken zijn (denk aan politie, justitie, bestuur, reclassering, hulpverlening) beter op elkaar te laten aansluiten. Simpel in gedachte, enorm gecompliceerd in de uitvoering, kan ik u vertellen. Dit proces begint op gang te komen en laat langzaam de eerste resultaten zien. Wat doet onze stadskrant Het Parool: er wordt een dossier van één harde-kern jongere integraal gepubliceerd, waaruit blijkt dat hij voortdurend door de mazen van politie, justitie en hulpverlening heen glipt. Een in de meest letterlijke zin angstaanjagend verhaal voor de gemiddelde lezer. Geen woord over wat we in Amsterdam met dit soort jongeren aan het doen zijn, geen woord over de resultaten die we boeken, geen woord over de context. Betrokken journalist weet daar ook geen bal van, en zoekt pas later uit wat er precies gebeurt. Natuurlijk, daarna volgen er nog een paar vriendelijke artikelen, maar de toon is dan al lang gezet. Ik weet niet of dat de bedoeling is, maar het zou kunnen: impact maken met een ingrijpend verhaal en pas daarna de inbedding in de bredere werkelijkheid. Als dat zo zou zijn, dan vind ik dat een miskenning van de verantwoordelijkheid van de media. Want ik vind dat die met zich meebrengt dat, als je als krant aan zo’n verhaal begint, je ook een realistisch beeld van de werkelijkheid moet geven. Daar hoort dit individuele verhaal bij, maar ook de rest, en wel in onderlinge verband. Dat het in Amsterdam juist op dit onderwerp beter gaat is niet blijven hangen, veel meer het beeld dat al die aanpak toch niets uithaalt. Pas de afgelopen week verscheen er een informatief verhaal met de politie over dit onderwerp.
Kijken we naar de multiculturele samenleving, dan constateer ik een parallel. Ook hier mis ik in de media een balans tussen wat niet goed gaat en wat wel goed gaat. Ook hier is de impact van media groot. Het integratiebeleid is mislukt, zo klinkt het steeds vaker, moskeeën zijn enge plekken, de islam is een achterlijke cultuur. Kortom de multiculturele samenleving lijken velen als een bedreiging te ervaren.
Ook hier wil ik de laatste zijn om te bagatelliseren en opnieuw is van groot belang om boodschap en boodschapper goed uit elkaar te houden, en ik weet hoe moeilijk dat is als je nog midden in het proces zit waarin over die boodschap geschreven, gedacht en gedaan wordt. Opnieuw, een voorbeeld, waar ik, zij het ook zijdelings, bij betrokken was.

Nova-verslaggevers die geheime opnames maakten van preken in een aantal moskeeën. De impact die dit heeft gehad is enorm. Natuurlijk wordt er bij die items in twee zinnen bij gezegd dat het maar om een zeer beperkt aantal moskeeën gaat. Maar dan is de toon allang gezet. Een gemiddelde Nederlander weet weinig tot niets van moskeeën. Ze komen er nooit, media besteden er geen aandacht aan, men spreekt de taal niet. Dus kleurt een dergelijke uitzending die leemte snel in. Probeer zo’n beeld dan nog maar eens te corrigeren.
En wat is nu het resultaat van dit soort uitzendingen? De allochtone wereld gooit de deur dicht. Daar heerst een enorme frustratie over de media omdat men het gevoel heeft dat er bij journalisten geen werkelijke interesse en kennis van zaken over hun cultuur en achtergronden bestaan. En zo komen we met z’n allen geen stap verder.
Mag Nova dan niet van die uitzendingen maken? Ja, natuurlijk wel. Maar het had ook anders gekund. Wil je het hebben over fundamentalisme in moskeeën: prima, maar leg dan ook uit wat fundamentalisme binnen de islam is en besteedt niet alleen met dit onderwerp aandacht aan de islam en moskeeën als je zelf al weet dat het om uitzonderingen gaat.

En waarom horen we overigens zelden iets over het conservatieve christendom en jodendom. De positie van de vrouw binnen de islamitische gemeenschap bespreken, ik ben er voor. Maar waarom horen we dan niets over de positie van de vrouw in andere geloofsgemeenschappen, de parallellen liggen voor het oprapen.
We zeggen daar niets over omdat dat geen nieuws is, geen actualiteitswaarde heeft zult u zeggen. Misschien wordt dat anders als de coalitiebesprekingen van vandaag waarbij ook de SGP een rol speelt, doorzet. Hoe dan ook, u hebt, zo is mijn stelling, een verantwoordelijkheid voor het weergeven van de werkelijkheden waarin mensen leven omdat u die werkelijkheid mee helpt maken. Daarom heeft u in het democratisch proces zo’n belangrijke rol.

Wat is nu de oorzaak van deze naar mijn mening soms te gemakzuchtige snelle journalistiek? Is het de concurrentie om de lezers en kijkers te winnen, is het het gebrek aan bagage van journalisten, is het gebrek aan tijd en geld om meer aan langlopende onderzoeksjournalistiek te doen?

Of is het waar wat Joris Luijendijk, NRC-correspondent in het Midden-Oosten, onlangs - nog voor de oorlog - schreef, dat de journalistiek steeds minder uitgaat van feiten en steeds meer van vooronderstellingen. Vooronderstellingen die, zoals hij zegt, met name in de televisiejournalistiek een belangrijke rol spelen. Hij maakte in het NRC-Handelsblad een analyse hoe de nieuwskaravaan de werkelijkheid in het Midden-Oosten reduceert en manipuleert. Het gaat, zo stelt hij, uiteindelijk om het grote perspectief waarin het nieuws van de dag wordt ingepast. Ik citeer:
“De beperking van de verslaggeving is nu dat je altijd een perspectief moet kiezen. Een verhaal heeft altijd een invalshoek nodig... Nu is het blikvernauwende perspectief van alle journalistieke tijden. Maar twee factoren maken het heden anders dan het verleden. Zo bestaat er nu allesoverheersende televisie, een medium dat veel gemakkelijker is te manipuleren dan de krant en waarvan de invloed veel groter is: ‘Ik zie het toch met mijn eigen ogen?’ Ten tweede is bij het conflict in Israël en dadelijk in Irak een niet-westerse samenleving betrokken. Dat vereist grondige achtergrondkennis en een scherp bewustzijn van mogelijk cultureel bepaalde vooroordelen die de blik sturen, zoals het idee dat de islam zelfmoordterrorisme zou aanmoedigen en islamitische ouders dus hun kinderen graag zien sterven voor de goede zaak.”
Luijendijk beschrijft hoe complex het maken van een tv-reportage is. Het vergt veel voorbereiding, waarvan moeilijk kan worden afgeweken. Gaat een verslaggever op pad, dan is het zaak quotes en beelden te vinden bij een verhaal wat hij of zij al in z’n hoofd heeft. Als ter plaatse blijkt dat de dit verhaal afwijkt van de werkelijkheid, wordt het lastig. Het is klaarblijkelijk moeilijk om dan naar de redactie te bellen dat het allemaal weinig voorstelt. Cameraploegen kosten geld, montage is tijdrovend en duur.
Televisie reduceert de werkelijkheid tot datgene wat gefilmd kan worden. Dat is de dictatuur van het beeld, de rest bestaat niet. Luijendijk eindigt zijn verhaal met de opmerking dat er na 11 september niet zozeer de voorspelde clash of civilizations is ontstaan, maar veel meer een clash of perspectives. Meer dan de helft van de gewone Amerikanen gelooft inmiddels dat Saddam achter de aanslagen zit, bij de moslims denkt eenzelfde percentage aan de Mossad en de CIA.
Maar dan zeg ik: als er een clash of perspectives bestaat, dan is het des te belangrijker dat journalisten streven naar evenwichtige en transparante berichtgeving. Vertel ons alsjeblieft wat die verschillende perspectieven zijn, waartoe ze leiden; vertel van hun eenzijdigheid. Vertel ons ook vaker dat journalistieke producten vanuit een bepaald kijk op de wereld en de samenleving worden gemaakt, en laat dan ook zien welke die is. In een ontzuilde samenleving is die specifieke kijk op de wereld niet langer duidelijk en vanzelfsprekend.

Dames en heren,
Mag ik een voorbeeld geven van goede journalistiek over gemakzuchtige journalistiek. Dat is het verhaal over mijnheer Zaghboubi. In Vrij Nederland beschrijft Margalith Kleijwegt hoe deze mijnheer Zaghboubi in no time door de media werd neergezet als belangrijk woordvoerder van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland en vervolgens als de aankomend nieuwe leider van de Nederlandse AEL. Klakkeloos verschijnen verhalen in kranten, Zaghboubi is niet weg te slaan van de televisie. Kelijwegt laat zien hoe snel dat behoorlijke proporties kan aannemen. Door heel eenvoudig onderzoek komt zij erachter dat deze mijnheer eigenlijk alleen maar zichzelf vertegenwoordigt en verder niemand. Een mooi artikel, waarover overigens in al die kranten en actualiteitenrubrieken nooit meer iets is teruggevonden – behalve dan dat Zaghboubi inmiddels weer van de schermen en uit de kolommen is verdwenen.

De media veranderen langzaam van een aanbiedersmarkt in vragersmarkt, zo stelde de voorzitter van het Commissariaat voor de media onlangs. Aansluiting zoeken bij breed levende meningen en veronderstellingen. Eigenlijk wordt de journalistiek daardoor steeds eenvormiger en saaier. En ook gevaarlijker. Ben je een keer het slachtoffer van een mediahype dan is het ook meteen goed raak. Verkondig je als publieke figuur een afwijkend standpunt, dan moet je heel goed op je tellen passen. En dat is precies wat politici gaan doen, wat andere publieke figuren doen.

Hier past het natuurlijk de hand ook in eigen boezem te steken. Want eenzelfde verwijt kan worden gemaakt aan politiek en bestuur. De kiezersmarkt moet met de loslatende bindingen met vaste achterbannen vooral via media en dan vooral de televisie worden bereikt. In nieuwsuitzendingen maar ook in andere rubrieken en programma’s. Snel scoren hoort daarbij. En ook al die andere zaken als spelletjesprogramma’s, talkshows, diepte-interviews over de privé-levens enzovoorts.
Het streven om het nieuws te maken, de berichtgeving naar je hand te zetten, de eerste slag te slaan enzovoorts, het hoort er allemaal bij tegenwoordig. Maar ook hier past een kritische rol van de media. Het ontvangen van een primeur is corebusiness voor u maar je hoeft je toch ook niet voor alles te laten gebruiken, denk ik soms. Op die manier zet je je eigen kritische rol ook buiten spel.

Dames en heren,
Ik kom nu, na al deze voorbeelden, terug bij mijn vraag: wie bewaakt de bewakers? Wie beoordeelt ù, wie gaat even precies na hoe u uw macht gebruikt, als u nagaat hoe bestuur en politiek zijn macht gebruikt? De Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling kwam onlangs met het voorstel om een onafhankelijk instituut op te richten dat de media kan onderzoeken. Ik zie daar niet zoveel in. Ik deel de mening van Kees Brants en Philip van Praag onlangs in de Volkskrant dat de beoordeling van interpreterende journalistiek niet bij een dergelijk instituut moet worden neergelegd. Dat moet al daarom niet omdat er onvermijdelijk subjectieve elementen schuilen in een dergelijke beoordeling, en een levende pers is nu juist gebaat bij al die verschillende perspectieven en bijbehorende uitwerking.
Er zit daarom, dames en heren hoofdredacteuren, niets anders op dan die verantwoordelijkheid in het bijzonder bij u neer te leggen. En ik heb daar nog wel een paar wensen bij ook. De eerste is: voer meer dan nu, het debat over de wijze waarop u en ook uw concurrenten omgaan met de verantwoordelijkheid waar ik het over heb. Debatteer daarover niet alleen in uw eigen media zoals De Journalist, want ik wil als burger, als lezer en als kijker, daar ook over geïnformeerd worden. Bespreek in uw kolommen luid en duidelijk of het een schande is dat NOVA gaat praten met Margarita en echtgenoot zonder dat zij alles mogen vragen; bespreek, in datzelfde kader of HP het maken kan zonder substantieel bewijs zoveel beschuldigingen in diezelfde zaak te uiten. Jazeker, u moet dan ook in debat met uw collega’s van andere kranten en van ander media. Maar waarom niet? Wat is daartegen? Een tv-programma als De leugen regeert is een prachtig voorbeeld van wat ik bedoel, en ik roep u dan ook hartelijk op om daaraan met volle overtuiging mee te doen, ook al wordt het pas, wat mij betreft ten onrechte, rond het middernachtelijk uur uitgezonden.
U, als vertegenwoordigers van de schrijvende pers, roep ik op om meer werk te maken van het becommentariëren van tv-programma’s. Wij weten de enorme invloed van de televisie. En dus is er alle reden om wat daar gebeurt, kritisch te volgen. Besteed daar, zo roep ik u op, meer aandacht aan. Zorg ervoor dat commentaar als van Joris Luyendijk dat ik eerder besprak, veel systematischer in uw kolommen voorkomt. Als u het niet doet, dan doet niemand het.

Intussen, ik weet het, hebt u als hoofdredacteuren, nog wel een paar andere zorgen aan uw hoofd. De markt is slecht, u wordt voortdurend geconfronteerd met ernstige financiële handicaps, u doet uw best het hoofd boven water te houden. En dan kom ik nog eens zeuren met een extra verlanglijstje. Maar ik ben ervan overtuigd dat het een belangrijk lijstje is, en op den duur zal bijdragen aan uw kracht. En als u, met al uw besognes, het niet allemaal zelf kan doen, zorg er dan in ieder geval voor dat u deze functie in uw organisatie borgt. Het betekent ook dat u voortdurend en iedere dag opnieuw uiterst kritisch moet kijken naar de producten van uw eigen medewerkers. Iedereen die leiding geeft aan medewerkers weet hoe moeilijk dat soms kan zijn. Het gaat, zeker ook in uw vak, om de balans tussen stimuleren en beschermen tegen onjuiste aanvallen van buitenaf aan de ene kant, en een scherp oordeel over fouten, over een niet voldoen aan hoge journalistieke standaarden aan de andere kant. En wat die standaarden zijn, heeft uw voorzitter vanmiddag aan het slot van zijn verhaal nog even handzaam samengevat. U bent dat niet alleen aan uw vak verplicht, maar ook aan de burgers van dit land, voor wie een pluriforme, zichzelf bekritiserende pers van vitaal belang is.

© Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren
Design & technische realisatie: Nico van Veenendaal