Welkomstwoord Arendo Joustra tijdens de viering van het 50-jarig jubileum van het Genootschap
Welkomstwoord Arendo Joustra, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, op vrijdag 27 november 2009 tijdens de viering van het 50-jarig jubileum van het Genootschap in het Fortis Circustheater in Den Haag.Majesteit,
Koninklijke Hoogheden,
Excellentie,
Mijnheer de Commissaris,
Mijnheer de Burgemeester,
Leden en oud-leden,
Dames en Heren,
Allen heel hartelijk welkom op deze bijzondere viering van het 50-jarig jubileum van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Majesteit, Koninklijke Hoogheden, we zijn zeer vereerd met uw aanwezigheid.
Goed dat u vanmiddag allemaal bent gekomen, want het zou wel eens ons laatste jubileum kunnen zijn. Althans, die indruk zou je kunnen krijgen als je leest wat de afgelopen maanden over de media is bericht. Tijdschriften worden opgeheven. Edities van dagbladen gestopt.
Titels bedreigd. Redacties ingekrompen. En de vooruitzichten voor de nabije toekomst zijn slecht, zeer slecht.
De analyse van het probleem is bekend. Conjunctureel hebben we te maken met een economische crisis en de gevolgen van mismanagement. Structureel zorgt internet voor een radicale verandering van de wijze waarop mensen zich informeren en waarop mensen worden geïnformeerd.
Als hoofdredacteuren van kranten, tijdschriften, persbureaus, websites en omroepprogramma’s staan we midden in dat proces van transitie. Van alle kanten komen de bedreigingen op ons af. We noemen die – heel stoer – kansen en uitdagingen, maar weten ondertussen dat nog nergens ter wereld de oplossing is gevonden. We zijn als de dompteur in het circus, die met zijn zweep acht hongerige tijgers in bedwang probeert te houden. En dan opeens floept het licht uit.
U mag vandaag, in dit mooie circustheater, getuige zijn van onze worsteling. Hier en daar leidt dat wellicht tot leedvermaak. ‘Goed dat die arrogante media een keer in de knel zitten. Dat zal ze leren.’ Die gedachte is u gegund. Maar wees gewaarschuwd, de Koningin der aarde, zoals de advocaat Donker Curtius de pers 170 jaar geleden noemde, laat zich niet zo makkelijk onttronen.
U bent vanmiddag uitgenodigd omdat u wel eens met ons te maken heeft, misschien bent u wel een vriend van het Genootschap. U kent ons in elk geval een beetje. Dat geldt niet voor alle organisaties. Af en toe krijgen die een telefoontje van iemand die denkt: dat is handig, zo’n Genootschap. Die bellen dan met het verzoek, vaak is het meer een eis, om te regelen dat alle Nederlandse media berichten over, bijvoorbeeld, de gevaren van koperen waterleidingbuizen. Of de bedreigingen van het witte waterhoentje.
U bent gelukkig niet zo.
U kent ons.
U weet dat we een ongeregeld zootje zijn. God noch gebod kennen. Ons niets aantrekken van
verzoeknummers of codes, en ons alleen houden aan de wet. En soms zelfs dat niet.
Is dat vanwege commercie en kijkcijfers? Die verklaring hoor je wel eens, maar ik denk het niet. Al eeuwen doen journalisten niet veel meer dan, zoals ons erelid Rimmer Mulder het graag formuleert, het opsporen, voorgeleiden en beoordelen van feiten. Ook feiten die onaangenaam zijn. Dat is ons werk, daar worden we voor betaald.
Laat ik u iets meer vertellen over het Genootschap. Dat mag wel na vijftig jaar.
De journalistiek krijgt vaak het verwijt niet uit te blinken in zelfkritiek en reflectie. Welnu, in het Genootschap doen we niet anders. We leveren voortdurend strijd met elkaar over wat je wel en niet kan doen als journalist.
Moet je de namen van verdachten wel of niet noemen, moet je wel of niet berichten over familiedrama’s, wel of niet een rammelend opiniestuk van Geert Wilders afdrukken, wel of niet de camera’s laten draaien tijdens een inval van de politie?
We discussiëren niet om vervolgens regels op te stellen. Wel om het eigen standpunt te toetsen of aan te scherpen. En om van elkaars kennis en inzichten te profiteren.
Vaak, zoals vandaag, nodigen we bovendien buitenstaanders als Arnon Grunberg uit om ons te kapittelen. Dat heeft een masochistisch trekje. Maar we huldigen nu eenmaal als motto: tegenspraak brengt ons verder.
En voorts tracht het Genootschap de kwaliteit van de journalistiek te verbeteren door intensieve contacten te onderhouden met de opleidingen, door de oprichting van en deelname aan de Raad voor de Journalistiek, en door prijzen uit te reiken voor topprestaties, de zogeheten ‘Tegels’.
Wat hoofdredacteuren in het Genootschap bindt, is een journalistiek die streeft naar onafhankelijkheid en kwaliteit. Die mores kent, bewaakt en hooghoudt en die bereid is die mores steeds weer uit te leggen, transparant te maken, en te verdedigen. Desnoods door naar de rechter te stappen. Zelfs als de tegenstander de geheime dienst is.
Met de AIVD kom ik op de rol van de overheid. Vandaag ook aanwezig in haar vele gedaanten. Als regelgever, subsidieverstrekker, als onderwerp, maar ook als lijdend voorwerp.
Mede naar aanleiding van de Persbrief die minister Plasterk vorig jaar publiceerde, de commissie-Brinkman die daar onder meer uit voortvloeide, en de reactie daar weer op van de minister, zijn mogelijke maatregelen van de overheid het afgelopen jaar ruim besproken. Die discussie hoeven we vanmiddag niet te herhalen. Maar het wensenpakket dat bij de minister is neergelegd, is duidelijk: iets minder hindermacht, iets meer faciliteiten.
Lastiger is de rol van de overheid als subsidieverstrekker. Dat is zo’n dilemma waarmee we intern worstelen, vooral in deze crisistijd. Historisch gezien zijn overheid en journalistiek immers antagonisten. Maar soms is subsidie de enige redding op plekken waar journalistiek dreigt te verdwijnen.
Waar liggen de grenzen van die subsidieverlening? Het is een vraag die ik vanmiddag graag bij u neerleg, zonder zelf direct het antwoord te weten.
Af en toe duiken ideeën op over een publieke pers. De vorig jaar veel te vroeg overleden Thijs Wöltgens, voormalig fractieleider van de PvdA, opperde eens dat de provincie Limburg niet alleen de regionale omroep moest subsidiëren, maar ook de Limburgse kranten.
Dat leidt als vanzelf tot de vraag of het gezond is als uiteindelijk alle media geld van de overheid ontvangen. Natuurlijk, de onafhankelijkheid kan gewaarborgd zijn. Onze collega’s bij de publieke omroep bewijzen dat elke dag en al decennialang. En in andere gevallen vormt het Stimuleringsfonds voor de Pers een nuttige buffer tussen ministerie en media.
Maar los van die onafhankelijkheid, moet de vraag worden gesteld of het goed is als alle media banden met de overheid krijgen, en dus in de sfeer van de overheid komen. Dreigt dan niet het gevaar dat de wereld van de overheid, de agenda van de overheid, hun wereld, hun agenda wordt?
Vaak wordt de overheid voorgesteld als goed, neutraal, objectief en vertegenwoordiger van het algemeen belang. Maar dat is dan toch vooral het gezichtspunt van de overheid zelf.
Waarbij gemakshalve wordt vergeten dat die overheid uiteindelijk altijd politiek wordt aangestuurd. Zo hoort het ook in een democratie. Maar dit betekent tegelijk dat die overheid van karakter kan veranderen, bijvoorbeeld na verkiezingen. De publieke omroep, sterk afhankelijk van de overheid, heeft daarvan in het verleden meer dan eens de vervelende gevolgen ondervonden.
De laatste tijd hoor je vaak dat de media moeten helpen om het gezag van de overheid te schragen, moeten helpen om de instituties overeind te houden. Ze moeten zelfs woordelijk verslag doen van parlementaire debatten, omdat, zoals Kamervoorzitter Verbeet onlangs zei, ‘juist een verslag van een Kamerdebat kan laten zien, hoe onze democratie werkt’.
Het is nog maar de vraag of dat klopt. Maar laat die keuze aan de media zelf over. Persvrijheid kent geen gebiedende wijs.
Laat de media maar spiegel van de samenleving zijn en profiteer als overheid van onze rol als verkenner.
De taak van de media in een democratie gaat namelijk wat verder dan het zo vaak genoemde ‘controleren van de macht’. Een rol die nogal aanmatigend klinkt.
Het Genootschap ziet journalisten meer als de laatste generalisten in een maatschappij waarin mensen zich steeds meer, van werkvloer tot vrije tijd, hebben gespecialiseerd en louter nog contacten hebben binnen hun eigen kring.
Het zijn de journalisten, het zijn de media, die de verbindingen tot stand brengen tussen al die gespecialiseerde groepen. Tussen burger en politicus, tussen sporter en supporter, tussen binnenland en buitenland, tussen producent en consument, tussen autochtoon en allochtoon, tussen staatshoofd en onderdaan.
Het zijn een beetje grote woorden, maar als geconstateerd wordt dat de samenleving langzaam desintegreert door individualisering, ontzuiling, mondialisering en immigratie, dan zorgen de media als intermediair voor het bindmiddel om die samenleving in stand te houden. Wie doet het anders?
Toegegeven, we zijn zeker niet foutloos. En kritiek op ons werk is bijna altijd welkom. Maar ik verzet me tegen het beeld dat we onze fouten zouden wegmoffelen of lange tenen zouden hebben.
Mijn voorganger Pieter Broertjes maakte vandaag precies tien jaar geleden, bij de viering van ons veertigjarig jubileum in Amsterdam, terecht een groot punt van onze geloofwaardigheid.
Sinds zijn oproep is het nodige veranderd.
Ik ken geen sector die zo transparant is als de media. En dan doel ik nog niet eens op de ombudsmannen en de columns en weblogs waarin hoofdredacteuren verantwoording afleggen.
Noch op de uitvoerige correctierubrieken en zelfs boeken waarin fouten en valse scoops grondig worden blootgelegd.
Nee, het is de aard van de media zelf om zich voortdurend te corrigeren door met nieuwe feiten en achtergronden te komen. Het is een doorlopend proces van waarheidsvinding. Soms komt die correctie al dezelfde dag, soms duurt het een week, een maand, of een jaar. Maar uiteindelijk geldt altijd dat mooie Nederlandse spreekwoord: al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.
Misschien zouden we ons werk beter doen als we de loop van de geschiedenis zouden kennen.
Dan zouden we misschien anders berichten en beter de consequenties kunnen overzien. Maar net als u hebben we geen voorkennis. Journalisten zijn, zoals de Amerikanen zeggen, slechts verloskundigen die de geschiedenis geboren laten worden.
Tot slot.
Ik heb niet veel gezegd over de existentiële crisis waarmee we allen worstelen in deze tijden van transitie. Deels omdat ik u niet te veel met onze eigen sores wilde lastigvallen. Maar vooral omdat ik de vaste overtuiging heb, dat we allen, ieder op onze eigen wijze, deze crisis met creativiteit te boven zullen komen. Door vast te houden aan onze onafhankelijkheid, onze kwaliteit en onze mores.
Kortom, over tien jaar maken we weer de balans op. Want dat volgende jubileum komt er toch.
Ik wens u een boeiende middag.
Dank u wel.
Hoofdredacteuren, op vrijdag 27 november 2009 tijdens de viering van het 50-jarig
jubileum van het Genootschap in het Fortis Circustheater in Den Haag.
Majesteit,
Koninklijke Hoogheden,
Excellentie,
Mijnheer de Commissaris,
Mijnheer de Burgemeester,
Leden en oud-leden,
Dames en Heren,
Allen heel hartelijk welkom op deze bijzondere viering van het 50-jarig jubileum van het
Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Majesteit, Koninklijke Hoogheden, we zijn
zeer vereerd met uw aanwezigheid.
Goed dat u vanmiddag allemaal bent gekomen, want het zou wel eens ons laatste jubileum
kunnen zijn. Althans, die indruk zou je kunnen krijgen als je leest wat de afgelopen maanden
over de media is bericht. Tijdschriften worden opgeheven. Edities van dagbladen gestopt.
Titels bedreigd. Redacties ingekrompen. En de vooruitzichten voor de nabije toekomst zijn
slecht, zeer slecht.
De analyse van het probleem is bekend. Conjunctureel hebben we te maken met een
economische crisis en de gevolgen van mismanagement. Structureel zorgt internet voor een
radicale verandering van de wijze waarop mensen zich informeren en waarop mensen worden
geïnformeerd.
Als hoofdredacteuren van kranten, tijdschriften, persbureaus, websites en
omroepprogramma’s staan we midden in dat proces van transitie. Van alle kanten komen de
bedreigingen op ons af. We noemen die – heel stoer – kansen en uitdagingen, maar weten
ondertussen dat nog nergens ter wereld de oplossing is gevonden. We zijn als de dompteur in
het circus, die met zijn zweep acht hongerige tijgers in bedwang probeert te houden. En dan
opeens floept het licht uit.
U mag vandaag, in dit mooie circustheater, getuige zijn van onze worsteling. Hier en daar
leidt dat wellicht tot leedvermaak. ‘Goed dat die arrogante media een keer in de knel zitten.
Dat zal ze leren.’ Die gedachte is u gegund. Maar wees gewaarschuwd, de Koningin der aarde,
zoals de advocaat Donker Curtius de pers 170 jaar geleden noemde, laat zich niet zo
makkelijk onttronen.
U bent vanmiddag uitgenodigd omdat u wel eens met ons te maken heeft, misschien bent u
wel een vriend van het Genootschap. U kent ons in elk geval een beetje.
Dat geldt niet voor alle organisaties. Af en toe krijgen die een telefoontje van iemand die
denkt: dat is handig, zo’n Genootschap. Die bellen dan met het verzoek, vaak is het meer een
eis, om te regelen dat alle Nederlandse media berichten over, bijvoorbeeld, de gevaren van
koperen waterleidingbuizen. Of de bedreigingen van het witte waterhoentje.
U bent gelukkig niet zo.
U kent ons.
U weet dat we een ongeregeld zootje zijn. God noch gebod kennen. Ons niets aantrekken van
verzoeknummers of codes, en ons alleen houden aan de wet. En soms zelfs dat niet.
Is dat vanwege commercie en kijkcijfers?
Die verklaring hoor je wel eens, maar ik denk het niet. Al eeuwen doen journalisten niet veel
meer dan, zoals ons erelid Rimmer Mulder het graag formuleert, het opsporen, voorgeleiden
en beoordelen van feiten. Ook feiten die onaangenaam zijn. Dat is ons werk, daar worden we
voor betaald.
Laat ik u iets meer vertellen over het Genootschap. Dat mag wel na vijftig jaar.
De journalistiek krijgt vaak het verwijt niet uit te blinken in zelfkritiek en reflectie. Welnu, in
het Genootschap doen we niet anders. We leveren voortdurend strijd met elkaar over wat je
wel en niet kan doen als journalist.
Moet je de namen van verdachten wel of niet noemen, moet je wel of niet berichten over
familiedrama’s, wel of niet een rammelend opiniestuk van Geert Wilders afdrukken, wel of
niet de camera’s laten draaien tijdens een inval van de politie?
We discussiëren niet om vervolgens regels op te stellen. Wel om het eigen standpunt te
toetsen of aan te scherpen. En om van elkaars kennis en inzichten te profiteren.
Vaak, zoals vandaag, nodigen we bovendien buitenstaanders als Arnon Grunberg uit om ons
te kapittelen. Dat heeft een masochistisch trekje. Maar we huldigen nu eenmaal als motto:
tegenspraak brengt ons verder.
En voorts tracht het Genootschap de kwaliteit van de journalistiek te verbeteren door
intensieve contacten te onderhouden met de opleidingen, door de oprichting van en deelname
aan de Raad voor de Journalistiek, en door prijzen uit te reiken voor topprestaties, de
zogeheten ‘Tegels’.
Wat hoofdredacteuren in het Genootschap bindt, is een journalistiek die streeft naar
onafhankelijkheid en kwaliteit. Die mores kent, bewaakt en hooghoudt en die bereid is die
mores steeds weer uit te leggen, transparant te maken, en te verdedigen. Desnoods door naar
de rechter te stappen. Zelfs als de tegenstander de geheime dienst is.
Met de AIVD kom ik op de rol van de overheid. Vandaag ook aanwezig in haar vele
gedaanten. Als regelgever, subsidieverstrekker, als onderwerp, maar ook als lijdend voorwerp.
Mede naar aanleiding van de Persbrief die minister Plasterk vorig jaar publiceerde, de
commissie-Brinkman die daar onder meer uit voortvloeide, en de reactie daar weer op van de
minister, zijn mogelijke maatregelen van de overheid het afgelopen jaar ruim besproken. Die
discussie hoeven we vanmiddag niet te herhalen. Maar het wensenpakket dat bij de minister is
neergelegd, is duidelijk: iets minder hindermacht, iets meer faciliteiten.
Lastiger is de rol van de overheid als subsidieverstrekker. Dat is zo’n dilemma waarmee we
intern worstelen, vooral in deze crisistijd. Historisch gezien zijn overheid en journalistiek
immers antagonisten. Maar soms is subsidie de enige redding op plekken waar journalistiek
dreigt te verdwijnen.
Waar liggen de grenzen van die subsidieverlening? Het is een vraag die ik vanmiddag graag
bij u neerleg, zonder zelf direct het antwoord te weten.
Af en toe duiken ideeën op over een publieke pers. De vorig jaar veel te vroeg overleden Thijs
Wöltgens, voormalig fractieleider van de PvdA, opperde eens dat de provincie Limburg niet
alleen de regionale omroep moest subsidiëren, maar ook de Limburgse kranten.
Dat leidt als vanzelf tot de vraag of het gezond is als uiteindelijk alle media geld van de
overheid ontvangen. Natuurlijk, de onafhankelijkheid kan gewaarborgd zijn. Onze collega’s
bij de publieke omroep bewijzen dat elke dag en al decennialang. En in andere gevallen vormt
het Stimuleringsfonds voor de Pers een nuttige buffer tussen ministerie en media.
Maar los van die onafhankelijkheid, moet de vraag worden gesteld of het goed is als alle
media banden met de overheid krijgen, en dus in de sfeer van de overheid komen. Dreigt dan
niet het gevaar dat de wereld van de overheid, de agenda van de overheid, hun wereld, hun
agenda wordt?
Vaak wordt de overheid voorgesteld als goed, neutraal, objectief en vertegenwoordiger van
het algemeen belang. Maar dat is dan toch vooral het gezichtspunt van de overheid zelf.
Waarbij gemakshalve wordt vergeten dat die overheid uiteindelijk altijd politiek wordt
aangestuurd. Zo hoort het ook in een democratie. Maar dit betekent tegelijk dat die overheid
van karakter kan veranderen, bijvoorbeeld na verkiezingen. De publieke omroep, sterk
afhankelijk van de overheid, heeft daarvan in het verleden meer dan eens de vervelende
gevolgen ondervonden.
De laatste tijd hoor je vaak dat de media moeten helpen om het gezag van de overheid te
schragen, moeten helpen om de instituties overeind te houden. Ze moeten zelfs woordelijk
verslag doen van parlementaire debatten, omdat, zoals Kamervoorzitter Verbeet onlangs zei,
‘juist een verslag van een Kamerdebat kan laten zien, hoe onze democratie werkt’.
Het is nog maar de vraag of dat klopt. Maar laat die keuze aan de media zelf over.
Persvrijheid kent geen gebiedende wijs.
Laat de media maar spiegel van de samenleving zijn en profiteer als overheid van onze rol als
verkenner.
De taak van de media in een democratie gaat namelijk wat verder dan het zo vaak genoemde
‘controleren van de macht’. Een rol die nogal aanmatigend klinkt.
Het Genootschap ziet journalisten meer als de laatste generalisten in een maatschappij waarin
mensen zich steeds meer, van werkvloer tot vrije tijd, hebben gespecialiseerd en louter nog
contacten hebben binnen hun eigen kring.
Het zijn de journalisten, het zijn de media, die de verbindingen tot stand brengen tussen al die
gespecialiseerde groepen. Tussen burger en politicus, tussen sporter en supporter, tussen
binnenland en buitenland, tussen producent en consument, tussen autochtoon en allochtoon,
tussen staatshoofd en onderdaan.
Het zijn een beetje grote woorden, maar als geconstateerd wordt dat de samenleving langzaam
desintegreert door individualisering, ontzuiling, mondialisering en immigratie, dan zorgen de
media als intermediair voor het bindmiddel om die samenleving in stand te houden. Wie doet
het anders?
Toegegeven, we zijn zeker niet foutloos. En kritiek op ons werk is bijna altijd welkom. Maar
ik verzet me tegen het beeld dat we onze fouten zouden wegmoffelen of lange tenen zouden
hebben.
Mijn voorganger Pieter Broertjes maakte vandaag precies tien jaar geleden, bij de viering van
ons veertigjarig jubileum in Amsterdam, terecht een groot punt van onze geloofwaardigheid.
Sinds zijn oproep is het nodige veranderd.
Ik ken geen sector die zo transparant is als de media. En dan doel ik nog niet eens op de
ombudsmannen en de columns en weblogs waarin hoofdredacteuren verantwoording afleggen.
Noch op de uitvoerige correctierubrieken en zelfs boeken waarin fouten en valse scoops
grondig worden blootgelegd.
Nee, het is de aard van de media zelf om zich voortdurend te corrigeren door met nieuwe
feiten en achtergronden te komen. Het is een doorlopend proces van waarheidsvinding. Soms
komt die correctie al dezelfde dag, soms duurt het een week, een maand, of een jaar. Maar
uiteindelijk geldt altijd dat mooie Nederlandse spreekwoord: al is de leugen nog zo snel, de
waarheid achterhaalt hem wel.
Misschien zouden we ons werk beter doen als we de loop van de geschiedenis zouden kennen.
Dan zouden we misschien anders berichten en beter de consequenties kunnen overzien. Maar
net als u hebben we geen voorkennis. Journalisten zijn, zoals de Amerikanen zeggen, slechts
verloskundigen die de geschiedenis geboren laten worden.
Tot slot.
Ik heb niet veel gezegd over de existentiële crisis waarmee we allen worstelen in deze tijden
van transitie. Deels omdat ik u niet te veel met onze eigen sores wilde lastigvallen. Maar
vooral omdat ik de vaste overtuiging heb, dat we allen, ieder op onze eigen wijze, deze crisis
met creativiteit te boven zullen komen. Door vast te houden aan onze onafhankelijkheid, onze
kwaliteit en onze mores.
Kortom, over tien jaar maken we weer de balans op. Want dat volgende jubileum komt er
toch.
Ik wens u een boeiende middag.
Dank u wel.Welkomstwoord Arendo Joustra, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, op vrijdag 27 november 2009 tijdens de viering van het 50-jarig jubileum van het Genootschap in het Fortis Circustheater in Den Haag. Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellentie, Mijnheer de Commissaris, Mijnheer de Burgemeester, Leden en oud-leden, Dames en Heren, Allen heel hartelijk welkom op deze bijzondere viering van het 50-jarig jubileum van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Majesteit, Koninklijke Hoogheden, we zijn zeer vereerd met uw aanwezigheid. Goed dat u vanmiddag allemaal bent gekomen, want het zou wel eens ons laatste jubileum kunnen zijn. Althans, die indruk zou je kunnen krijgen als je leest wat de afgelopen maanden over de media is bericht. Tijdschriften worden opgeheven. Edities van dagbladen gestopt. Titels bedreigd. Redacties ingekrompen. En de vooruitzichten voor de nabije toekomst zijn slecht, zeer slecht. De analyse van het probleem is bekend. Conjunctureel hebben we te maken met een economische crisis en de gevolgen van mismanagement. Structureel zorgt internet voor een radicale verandering van de wijze waarop mensen zich informeren en waarop mensen worden geïnformeerd. Als hoofdredacteuren van kranten, tijdschriften, persbureaus, websites en omroepprogramma’s staan we midden in dat proces van transitie. Van alle kanten komen de bedreigingen op ons af. We noemen die – heel stoer – kansen en uitdagingen, maar weten ondertussen dat nog nergens ter wereld de oplossing is gevonden. We zijn als de dompteur in het circus, die met zijn zweep acht hongerige tijgers in bedwang probeert te houden. En dan opeens floept het licht uit. U mag vandaag, in dit mooie circustheater, getuige zijn van onze worsteling. Hier en daar leidt dat wellicht tot leedvermaak. ‘Goed dat die arrogante media een keer in de knel zitten. Dat zal ze leren.’ Die gedachte is u gegund. Maar wees gewaarschuwd, de Koningin der aarde, zoals de advocaat Donker Curtius de pers 170 jaar geleden noemde, laat zich niet zo makkelijk onttronen. U bent vanmiddag uitgenodigd omdat u wel eens met ons te maken heeft, misschien bent u wel een vriend van het Genootschap. U kent ons in elk geval een beetje. Dat geldt niet voor alle organisaties. Af en toe krijgen die een telefoontje van iemand die denkt: dat is handig, zo’n Genootschap. Die bellen dan met het verzoek, vaak is het meer een eis, om te regelen dat alle Nederlandse media berichten over, bijvoorbeeld, de gevaren van koperen waterleidingbuizen. Of de bedreigingen van het witte waterhoentje. U bent gelukkig niet zo. U kent ons. U weet dat we een ongeregeld zootje zijn. God noch gebod kennen. Ons niets aantrekken van verzoeknummers of codes, en ons alleen houden aan de wet. En soms zelfs dat niet. Is dat vanwege commercie en kijkcijfers? Die verklaring hoor je wel eens, maar ik denk het niet. Al eeuwen doen journalisten niet veel meer dan, zoals ons erelid Rimmer Mulder het graag formuleert, het opsporen, voorgeleiden en beoordelen van feiten. Ook feiten die onaangenaam zijn. Dat is ons werk, daar worden we voor betaald. Laat ik u iets meer vertellen over het Genootschap. Dat mag wel na vijftig jaar. De journalistiek krijgt vaak het verwijt niet uit te blinken in zelfkritiek en reflectie. Welnu, in het Genootschap doen we niet anders. We leveren voortdurend strijd met elkaar over wat je wel en niet kan doen als journalist. Moet je de namen van verdachten wel of niet noemen, moet je wel of niet berichten over familiedrama’s, wel of niet een rammelend opiniestuk van Geert Wilders afdrukken, wel of niet de camera’s laten draaien tijdens een inval van de politie? We discussiëren niet om vervolgens regels op te stellen. Wel om het eigen standpunt te toetsen of aan te scherpen. En om van elkaars kennis en inzichten te profiteren. Vaak, zoals vandaag, nodigen we bovendien buitenstaanders als Arnon Grunberg uit om ons te kapittelen. Dat heeft een masochistisch trekje. Maar we huldigen nu eenmaal als motto: tegenspraak brengt ons verder. En voorts tracht het Genootschap de kwaliteit van de journalistiek te verbeteren door intensieve contacten te onderhouden met de opleidingen, door de oprichting van en deelname aan de Raad voor de Journalistiek, en door prijzen uit te reiken voor topprestaties, de zogeheten ‘Tegels’. Wat hoofdredacteuren in het Genootschap bindt, is een journalistiek die streeft naar onafhankelijkheid en kwaliteit. Die mores kent, bewaakt en hooghoudt en die bereid is die mores steeds weer uit te leggen, transparant te maken, en te verdedigen. Desnoods door naar de rechter te stappen. Zelfs als de tegenstander de geheime dienst is. Met de AIVD kom ik op de rol van de overheid. Vandaag ook aanwezig in haar vele gedaanten. Als regelgever, subsidieverstrekker, als onderwerp, maar ook als lijdend voorwerp. Mede naar aanleiding van de Persbrief die minister Plasterk vorig jaar publiceerde, de commissie-Brinkman die daar onder meer uit voortvloeide, en de reactie daar weer op van de minister, zijn mogelijke maatregelen van de overheid het afgelopen jaar ruim besproken. Die discussie hoeven we vanmiddag niet te herhalen. Maar het wensenpakket dat bij de minister is neergelegd, is duidelijk: iets minder hindermacht, iets meer faciliteiten. Lastiger is de rol van de overheid als subsidieverstrekker. Dat is zo’n dilemma waarmee we intern worstelen, vooral in deze crisistijd. Historisch gezien zijn overheid en journalistiek immers antagonisten. Maar soms is subsidie de enige redding op plekken waar journalistiek dreigt te verdwijnen. Waar liggen de grenzen van die subsidieverlening? Het is een vraag die ik vanmiddag graag bij u neerleg, zonder zelf direct het antwoord te weten. Af en toe duiken ideeën op over een publieke pers. De vorig jaar veel te vroeg overleden Thijs Wöltgens, voormalig fractieleider van de PvdA, opperde eens dat de provincie Limburg niet alleen de regionale omroep moest subsidiëren, maar ook de Limburgse kranten. Dat leidt als vanzelf tot de vraag of het gezond is als uiteindelijk alle media geld van de overheid ontvangen. Natuurlijk, de onafhankelijkheid kan gewaarborgd zijn. Onze collega’s bij de publieke omroep bewijzen dat elke dag en al decennialang. En in andere gevallen vormt het Stimuleringsfonds voor de Pers een nuttige buffer tussen ministerie en media. Maar los van die onafhankelijkheid, moet de vraag worden gesteld of het goed is als alle media banden met de overheid krijgen, en dus in de sfeer van de overheid komen. Dreigt dan niet het gevaar dat de wereld van de overheid, de agenda van de overheid, hun wereld, hun agenda wordt? Vaak wordt de overheid voorgesteld als goed, neutraal, objectief en vertegenwoordiger van het algemeen belang. Maar dat is dan toch vooral het gezichtspunt van de overheid zelf. Waarbij gemakshalve wordt vergeten dat die overheid uiteindelijk altijd politiek wordt aangestuurd. Zo hoort het ook in een democratie. Maar dit betekent tegelijk dat die overheid van karakter kan veranderen, bijvoorbeeld na verkiezingen. De publieke omroep, sterk afhankelijk van de overheid, heeft daarvan in het verleden meer dan eens de vervelende gevolgen ondervonden. De laatste tijd hoor je vaak dat de media moeten helpen om het gezag van de overheid te schragen, moeten helpen om de instituties overeind te houden. Ze moeten zelfs woordelijk verslag doen van parlementaire debatten, omdat, zoals Kamervoorzitter Verbeet onlangs zei, ‘juist een verslag van een Kamerdebat kan laten zien, hoe onze democratie werkt’. Het is nog maar de vraag of dat klopt. Maar laat die keuze aan de media zelf over. Persvrijheid kent geen gebiedende wijs. Laat de media maar spiegel van de samenleving zijn en profiteer als overheid van onze rol als verkenner. De taak van de media in een democratie gaat namelijk wat verder dan het zo vaak genoemde ‘controleren van de macht’. Een rol die nogal aanmatigend klinkt. Het Genootschap ziet journalisten meer als de laatste generalisten in een maatschappij waarin mensen zich steeds meer, van werkvloer tot vrije tijd, hebben gespecialiseerd en louter nog contacten hebben binnen hun eigen kring. Het zijn de journalisten, het zijn de media, die de verbindingen tot stand brengen tussen al die gespecialiseerde groepen. Tussen burger en politicus, tussen sporter en supporter, tussen binnenland en buitenland, tussen producent en consument, tussen autochtoon en allochtoon, tussen staatshoofd en onderdaan. Het zijn een beetje grote woorden, maar als geconstateerd wordt dat de samenleving langzaam desintegreert door individualisering, ontzuiling, mondialisering en immigratie, dan zorgen de media als intermediair voor het bindmiddel om die samenleving in stand te houden. Wie doet het anders? Toegegeven, we zijn zeker niet foutloos. En kritiek op ons werk is bijna altijd welkom. Maar ik verzet me tegen het beeld dat we onze fouten zouden wegmoffelen of lange tenen zouden hebben. Mijn voorganger Pieter Broertjes maakte vandaag precies tien jaar geleden, bij de viering van ons veertigjarig jubileum in Amsterdam, terecht een groot punt van onze geloofwaardigheid. Sinds zijn oproep is het nodige veranderd. Ik ken geen sector die zo transparant is als de media. En dan doel ik nog niet eens op de ombudsmannen en de columns en weblogs waarin hoofdredacteuren verantwoording afleggen. Noch op de uitvoerige correctierubrieken en zelfs boeken waarin fouten en valse scoops grondig worden blootgelegd. Nee, het is de aard van de media zelf om zich voortdurend te corrigeren door met nieuwe feiten en achtergronden te komen. Het is een doorlopend proces van waarheidsvinding. Soms komt die correctie al dezelfde dag, soms duurt het een week, een maand, of een jaar. Maar uiteindelijk geldt altijd dat mooie Nederlandse spreekwoord: al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel. Misschien zouden we ons werk beter doen als we de loop van de geschiedenis zouden kennen. Dan zouden we misschien anders berichten en beter de consequenties kunnen overzien. Maar net als u hebben we geen voorkennis. Journalisten zijn, zoals de Amerikanen zeggen, slechts verloskundigen die de geschiedenis geboren laten worden. Tot slot. Ik heb niet veel gezegd over de existentiële crisis waarmee we allen worstelen in deze tijden van transitie. Deels omdat ik u niet te veel met onze eigen sores wilde lastigvallen. Maar vooral omdat ik de vaste overtuiging heb, dat we allen, ieder op onze eigen wijze, deze crisis met creativiteit te boven zullen komen. Door vast te houden aan onze onafhankelijkheid, onze kwaliteit en onze mores. Kortom, over tien jaar maken we weer de balans op. Want dat volgende jubileum komt er toch. Ik wens u een boeiende middag. Dank u wel.

